Nooit meer slapen

Wie Alles komt goed leest, het vorige week verschenen boek over Wim Brands (1959-2015), vraagt zich af waarom juist Brands nooit de Gouden Ganzenveer heeft gekregen. Deze prijs voor personen of instellingen die ‘grote betekenis hebben voor het geschreven of gedrukte woord’ is sinds 1955 33 keer uitgereikt, maar nog nooit aan iemand die meer betekend heeft voor het geschreven en gedrukte woord dan hij. Met zijn televisieprogramma op zondagochtend was Brands jarenlang een baken voor iedereen die wilde bijhouden wie er waarover weer een interessant boek had geschreven, en vooral ook waarom.

Het voortijdig einde van het programma in deze vorm, met Wim Brands als presentator, is bekend. Een jaar geleden maakte hij tot ontzetting van velen een eind aan zijn leven. Hij zou in een diepe depressie zijn geraakt die hem geen andere uitweg bood.

Dat is minder vreemd dan het lijkt. Wim Brands wordt nu dan wel veel geprezen vanwege zijn gedichten en interviews, maar tijdens zijn leven was dat anders. Zo werd zijn serie over buitenlandse schrijvers na veel wikken en wegen door de VPRO stopgezet. Ook het contact met uitgeverij Nieuw Amsterdam die altijd braaf zijn geliefde dichtbundels had uitgegeven, werd om onduidelijke reden verbroken, zoals eerder al Brands’ aardige radioprogramma over schrijvers naar een onmogelijke uithoek van omroepland verbannen was. En toen Wim Brands tussen Kerst en Nieuwjaar elke nacht een lang en intensief gesprek met allerlei denkers voerde, op een tijdstip dat de vaste collega’s liever bij hun geliefden en gezinnen waren, vroegen wij ons af of dat wel goed kon gaan, bij iemand die ook nog schrijflessen gaf, festivals presenteerde, gedichten schreef, en samen met de stervende René Gude een mooi, klein boekje maakte dat vervolgend met tienduizenden tegelijk de winkels uit vloog, zonder dat hij daar ook maar één cent wijzer van werd. Toen daarna ook nog eens de spot met hem gedreven werd omdat er niemand meer naar zijn zondagochtendprogramma zou kijken en omdat hij aan een peperdure schrijfcursus op Kreta zou meewerken, moet er iets geknapt zijn bij hem.

Op zo’n moment heb je waarschijnlijk niet zoveel aan zelfverklaarde vrienden die je vertellen dat ‘het enige medicijn tegen depressiviteit creativiteit is’. Van creativiteit gaan veel mensen vaak nóg minder slapen, en als ze niet oppassen misschien wel nooit meer slapen – dat deed in ieder geval Wim Brands.

Wie nieuwsgierig is naar meer details uit Wim Brands’ leven, kan goed terecht bij Alles komt goed. Brands komt eruit naar voren als iemand die hard kon werken en die goed was in zijn vak, al zou hij volgens sommigen ook nog een duistere kant hebben gehad, een demon die hem uiteindelijk noodlottig zou worden.

Of dat waar is, weet ik niet. Bijna ieder mens, is mijn ervaring, heeft wel een demon in zich, en veel meer mensen zouden er wel eens een punt achter kunnen zetten als ze dag en nacht zonder al te veel waardering en afleiding zouden voortdenderen.

In de langste bijdrage, van zijn naaste collega en opvolger Jeroen van Kan, is te lezen hoe Wim Brands ooit in de literatuur is terecht gekomen. Aanvankelijk had hij alleen maar veldbioloog willen worden. Hij was lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), en toen hij daar wat observaties uit de natuur had genoteerd, vond een vriend die zo mooi dat hij ze aan Dick Hillenius stuurde, die in zijn jeugd ook NJN’er was geweest. ‘Het zou best kunnen dat dit poëzie is,’ had Hillenius hem daarop laten weten, en hij had ze voor de zekerheid doorgestuurd aan K.L. Poll van het Hollands Maandblad, die er meteen een paar in zijn blad opnam. Vanaf dat moment was de 19-jarige Wim Brands ook dichter, al was het een dichter die mijlenver van de literaire coterieën zou blijven.

Ook op andere gebieden zou Wim Brands min of meer een outsider blijven. Tot zijn dood toe bleef hij een soort excursiekleren dragen, dure kappers en kleermakers meed hij, en hield er altijd trouw een dwarse, eigen mening op na. In een van de mooiste bijdragen aan de bundel beschrijft David Kleijwegt hoe Wim Brands voor zijn schitterende reeks schrijversinterviews op locatie vanaf het begin vastbesloten was om er geen ‘Zeeman-gesprek’ van te maken:

Integendeel: open vizier, alsof ik alles weer vergeten ben… vertel eens over uw vader… en dan het huilen, dat ook onverschilligen niet onberoerd zal laten.

Van een gezamenlijke voorbereiding op interviews, zoals dat bij veel andere programma’s gebeurt, was bij Brands dan ook geen sprake:

Het zat allemaal in zijn hoofd. De weg die hij koos in een gesprek was nauwelijks te beredeneren, laat staan te delen met een ander. Hij deed het op het gevoel.

In zijn openingsbijdrage schrijft Volkskrant-redacteur Ariejan Korteweg dat Wim Brands reeds in zijn tijd als journalist bij het Leidsch Dagblad geen ‘criticus’ wilde zijn:

[…] wat hem niet interesseerde, liet hij gewoon aan zijn lot over. Hij was een bewonderaar: een zeldzame gave die hij ten volle benutte. In dat bewonderen kon hij zichzelf wegcijferen, wat heel wat is voor een op zichzelf gericht mens. Andere schrijvers en denkers leren kennen, en via hen zichzelf beter begrijpen – dat moet zijn drijfveer geweest zijn.

Met dat laatste ben ik het eens, maar anders dan Korteweg denk ik dat dit ‘zichzelf begrijpen’ ook voor veel critici – net als voor veel lezers – een goede drijfveer kan zijn. Ik zie Wim Brands dan ook wel als een criticus, misschien wel een van de beste die we hadden. Tijdens interviews kon hij opmerkingen maken en vragen formuleren die het boek dat op tafel lag, misschien wel meer recht deden dan de recensies die erover verschenen waren. Wim Brands kon in slechts enkele zinnen de essentie van een boek weergeven, en die dan knap in een vraag verwerken.

Wat de inzet moet zijn van een boek over een betreurde overledene zal wel altijd discutabel blijven. Moeten vooral de vrienden aan het woord komen om hun grote liefde voor de dode te tonen, gaat het erom zijn prestaties te belichten en naar waarde te schatten, of willen we met zo’n boek eindelijk de mens die dood is wat beter leren kennen?

In Alles komt goed gebeurt dit allemaal wel een beetje, maar daarnaast lijken veel medewerkers er op uit te zijn geweest om ook zichzelf eens goed in het zonnetje te zetten. Alles bij elkaar krijgen we misschien meer te horen over de interessante omgeving waarin Wim Brands verkeerde dan over Wim Brands zelf. Dat is niet zo verwonderlijk, we leven in het ik-tijdperk. Maar tegenover een bescheiden en dienend mens als Wim Brands en in een boek dat de ondertitel ‘Over Wim Brands’ draagt, heeft het wel iets wrangs, en ook wel iets potsierlijks, om te zien hoeveel bijdragen in de eerste zin al een ‘ik’, een ‘je’ of een ‘mijn’ opvoeren:

‘Wim Brands is mijn beste vriend.’ (Ariejan Korteweg)
‘Vanmorgen, onder de douche, bedacht ik dat ik Wim Brands nooit heb aangeraakt.’ (F. Starik)
‘Twee jaar geleden was ik tegelijk met Wim in Deventer…’ (Judith Herzberg)
‘Het allereerste interview dat ik ooit afnam was ook meteen het lastigste.’ (David Kleijwegt);
‘Eerst de feiten: op de foto // die ik meeneem als herinnering’ (Erik Bindervoet)
‘Hij bleef altijd bij je staan als hij je vroeg om een van zijn gedichten te lezen’ (Maarten Westerveen)
‘Mijn vader schreef geruime tijd gedichten.’ (Erik Lindner)
‘In 1986 begin ik met mijn project…’ (Mac Kisman)
‘We waren geen vrienden, we hadden een band… Ik vond het jammer dat ons contact nooit verder ging…’ (Asis Aynan);
‘Even contact. Dat was de boodschap die Wim mij altijd sms’te…’ Roel Bentz van den Berg
‘Aan ideeën en plannen ontbrak het Wim nooit en tijdens… bespraken we die dan.’ Rob Riemen.
‘Wim Brands heeft me zeker acht of negen keer geïnterviewd.’ (Arie Storm)
‘De VPRO belde. Het radioprogramma VPRO Boeken wilde me interviewen…’ (Arnon Grunberg)
‘Waar ga je heen? Vraagt Wim. Even naar de bakker,’ antwoord ik.’ (Thomas Verbogt)

Een klein beetje ijdelheid mag de samenstellers en medewerkers van Alles komt goed – Over Wim Brands niet worden ontzegd.

Reinjan Mulder

Maarten Westerveen en Jeroen van Kan (samenst.), Alles komt goed – Over Wim Brands. Balans, Amsterdam. 160 blz. Prijs € 15,-

0

Reacties