Mooi weer spelen

In de laatste strofen van zijn verzamelbundel Alle gedichten kijkt Hans Verhagen terug op zijn dichterschap, en de conclusie is niet positief:

Met al mijn lyrische geneeskracht
heb ik nog geen enkel wezen
van het sterfbed teruggebracht

Mooi weer spelen was alles wat ik deed
en mijn lievelingen gaven evengoed de geest
Ooit zullen haar ogen mij hebben gezocht
maar ik moet ergens anders zijn geweest

Voor wie net het meer dan 700 bladzijden dikke verzameld werk heeft gelezen en herlezen, zijn deze woorden hartverscheurend. De dichter heeft een leven lang gevochten en geeft toe dat hij heeft verloren. Dat ‘lyrische geneeskracht’ wordt met de nodige zelfspot gebruikt, maar de ironie relativeert niet, bezorgt de lezer geen gevoel van opluchting, maar wrijft hem nog eens in wat hij na lezing van al die honderden gedichten allang had kunnen weten: het leven is zinloos en leidt onherroepelijk tot de dood. In de eerste bundel, Rozen & motoren, staat het al: ‘Op veel te grote voeten loop ik naar het licht/ in de urnen’. Het enjambement is er een van het soort dat Verhagen vaak gebruikt: de overgang leidt van de hemel naar de hel, van het licht naar het duister. Uit dat ‘op veel te grote voeten’ spreekt weliswaar een enorme gretigheid en levenslust, maar uiteindelijk eindigt alles in het graf. Een ander voorbeeld uit dezelfde bundel van een enjambement dat hard aankomt: ‘Een gedicht, zo lyrisch als de volle maan/ van een barakkenkamp’.

‘Mooi weer spelen was alles wat ik deed,’ schrijft Verhagen. Dat wil echter niet zeggen dat zijn poëzie het moet hebben van haar zoetgevooisdheid. In eerste instantie zat de ‘lelijkheid’ van zijn woordgebruik mij zelfs in de weg. De taal is vaak bonkig, weerbarstig en, ondanks de talloze assonanties en het eindrijm, weinig welluidend. Soms lijkt het of de dichter zich tegen een te gemakzuchtige lezing verzet met abstracte formuleringen (‘De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering/ uit de constellatie teruggetrokken’), opzettelijk fout taalgebruik (‘half van de bevolking was een motje’), en beeldspraak waar ik me weinig bij voor kan stellen (‘de losgeschroefde zeeën van de geest’). Elk gedicht is een noot om te kraken, en af en toe heb je een flinke nijptang nodig om bij het zachte vruchtvlees te komen.

Ook andere stilistische middelen die Verhagen inzet, wekken soms ergernis op. Zo houdt hij ervan om te spelen met staande uitdrukkingen en vaste woordcombinaties. In Duizend zonsondergangen kun je bij voorbeeld lezen: ‘de tijd staat stil/ de klok verstrijkt’ en ‘spelend om je glimlach weer die lippen’. Deze truc past hij in al zijn bundels toe. Dat ik me uiteindelijk toch gewonnen heb gegeven, komt doordat ik besefte dat deze poëzie het moet hebben van dissonanten. Ze weerspiegelen de strijd die hij voert, het altijd weer opnieuw beginnen, dat voortdurende pogen om te zeggen wat je toch niet kunt zeggen. We gaan struikelend door het leven, lijkt de dichter te willen zeggen, waarom zou ik dan af en toe niet mogen struikelen over mijn woorden? En schoonheid? Schoonheid heeft met volmaaktheid te maken en is in wezen onmenselijk: ‘Wie schoonheid vrij wil maken/ moet eerst z’n naakte waarheid grondig reinigen/ van aangekleefd humaan’.

Perfecte gedichten komen er niet veel voor in het werk van Verhagen, maar in bijna elk gedicht staat minstens één regel die als een vuistslag aankomt en die zo helder is geformuleerd dat je weet: zo is het en niet anders. De rest van het vers is nodig om voor die enkele gebeeldhouwde zin(nen) de weg te plaveien. Verhagen is geen tekenaar bij wie de lijn meteen doel treft: hij komt al schetsend, al improviserend tot de kern. Enkele voorbeelden van regels die stuk voor stuk de Tzum-prijs voor de beste zin verdienen (waarom bestaat er eigenlijk niet zo’n prijs voor de poëzie?):

‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (Zwarte gaten)

‘Alles komt klaprozenrood, nog tegensputterend, tot leven;/ te ver heen om terug te keren naar de moederschoot/ zet de zondeval zich in beweging’ (Zwarte gaten)

‘In dit land zo afgemeten dat het visioenen uitsluit’ (Moeder is een rover)

Voor een dichter die je in de eerste plaats associeert met Gard Sivik en de Zestigers is het werk opvallend weinig concreet. Vooral in zijn laatste bundels is het bijna mystiek te noemen, en doet me eerder denken aan de poëzie van Lucebert en Achterberg. Lucebert schreef melodieuzer, maar net als bij de keizer der Vijftigers is het oeuvre van Verhagen sterk associatief. Een andere overeenkomst is dat beide dichters de grote existentiële vragen niet schuwen, al zorgt Verhagen regelmatig voor een vrije val die de lezer met een doodsmak weer op aarde terugbrengt.

De overeenkomst met Achterberg zie ik vooral in de liefdespoëzie. Die gaat bijna altijd over een gestorven geliefde en lijkt net als bij Achterberg een poging om weer met de geliefde in contact te komen, of om haar te laten herleven. (‘Speelt ze nu voor sterrenregen?/ Kan ik daarin wellicht penetreren?’). Ook prachtig en (tegendraads) Achterbergiaans: ‘Geen zoetgevooisde haarlok, hak of kam/ die hem daar aan hare zaligheid herinnerde,/ maar juist de spoorloze verdwenenheid ervan.’ Wordt bij Achterberg de geliefde met ‘u’ aangesproken, bij Verhagen komt vaak een ‘zij’ voor die haast mythische proporties aanneemt. Enkele cycli in de bundels Duizend zonsondergangen en Kouwe voeten vormen samen een grimmige variant op het Bijbelse Hooglied. Het volgende gedicht komt uit Kouwe voeten:

Van haar zingen alle dichters,
haar schamele lakens ten spijt,
van haar zien wij het water komen
in stromen van saamhorigheid,
schreeuw van een vlinder tegen de wereld.

Het bloed dat uit haar aderen spuit
schenkt golven van vergetelheid;
zij neemt mij bij de hand en leidt mij,
in haar diepste duisternis misdraag ik haar,
op het toppunt van het licht raakt ze me kwijt.

Toch is deze poëzie niet losgezongen van de wereld. Vooral in de latere bundels is ze zelfs geëngageerd te noemen. De gedichten gaan over oorlog en geweld, onthoofdingen, yuppies die alles voor het geld doen. Het wereldbeeld dat hieruit naar voren komt is niet erg verrassend. De kritiek op kerk en kapitalisme is wat gratuit, maar de formuleringen zijn wél raak (‘Hun eeuwig verstoorde blik moeten sterke mannen wijten/ aan een oogopslag/ waarin schuldgevoel z’n best doet op een aantijging te lijken’).

Hans Verhagen heeft geen doden levend kunnen maken met zijn ‘lyrische geneeskracht’ en hij is niet de meest melodieuze dichter die we in Nederland hebben. Maar misschien vormen beide eigenschappen juist zijn kracht. Er zit een enorme vitaliteit in de niet aflatende pogingen van de dichter om vat te krijgen op de werkelijkheid. Al die tegenstellingen in zijn werk, tussen hoog en laag, liefde en haat, schoonheid en lelijkheid – gesteld in een taal die niet volmaakt is, niet volmaakt wil zijn omdat het leven dat ook niet is – weerspiegelen de onbegrijpelijkheid van het bestaan. Het kostte me in het begin moeite om in dit oeuvre door te dringen. Verhagen werpt barrières op voor de lezer. Maar als je er eenmaal een paar hebt geslecht, krijg je veel terug voor je inspanningen. Bij herlezing gaan de gedichten steeds meer leven, lijkt het zelfs of de taal muzikaler wordt, waarschijnlijk omdat je er langzaam maar zeker oor voor begint te krijgen.

Henry Sepers

Hans Verhagen – Alle gedichten. Bezorgd door Joep Bremmers. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. 752 blz. €45.

Reacties