Duivenmelkers en kattenmeppers

De enige school waar ik ooit vanaf ben gestuurd is de Zondagschool. Op zondag kregen de kinderen die net als wij Nederlands hervormd waren, les over de Bijbel in het schoolgebouw waar we door de week ook al zaten. Zondagschool was een soort werkstraf voor gelovige kinderen. Blijkbaar was ik op een zondag zo druk in de klas, dat ik eruit ben gestuurd. Een paar dagen later moest ik mijn excuses aanbieden bij de zondagsdocent, die door de week doodgraver was. Daar kun je ook als jonge knaap maar het best bevriend mee blijven.

Eén keer per jaar kreeg je van de Zondagschool, ik dacht met Kerst, een boekje cadeau. Zo staat in mijn kast nog altijd Kees helpt de politie van W. Geldof. Kees de Bruin woont in het dorp Wilgenwoude waar nog geen hoge flats staan. Kees is nogal opvliegend van karakter en als zijn vriend Piet Jonker zomaar op zijn fiets gaat rijden dan timmert hij erop los. Meester Hillen grijpt in: ‘Als God ons nu ook eens elke keer hard sloeg als wij kwaad gedaan hebben? Wat zou er dan van ons overblijven?’ Kees heeft nog een lange weg te gaan tot hij genoeg zelfinzicht krijgt en opbiecht dat hij een keer in woede een kat heeft doodgeslagen, al zal hij tussendoor de politie helpen met het oprollen van een stropersbende en het oplossen van een diefstal. De gezagsverhoudingen zijn nog helemaal in tact: ‘De politie is in dienst van de overheid. Die moeten wij gehoorzamen als het om goede dingen gaat.’

In dit soort boeken krijgen jongens voor hun verjaardag nog een door hun vader getimmerde duiventil cadeau. Meester Hillen vindt de duivensport echter een wrede sport omdat er veel duiven omkomen én omdat duivenmelkers op zondag niet naar de kerk gaan. ‘Dat doet de duivenmelker niet. Daar heeft hij geen tijd voor. Hij heeft geen tijd voor God…’ De wereld is heel overzichtelijk in Kees helpt de politie. Als de stropers zijn gepakt komt er zelfs een ‘man van de krant’ en die wil de volgende dag terugkomen met een fotograaf. Dat vindt de vader van Kees niet goed.

‘Nou, dat is niet nodig,’ zegt vader rustig. ‘Morgen is het zondag. Dat kan heel goed wachten tot maandag!’
Daar snapt de politieman [foutje in het boek, bedoeld wordt de journalist, cp] niets van. En bovendien, de politie werkt toch óók op zondag? De krant moet trouwens al op maandagmorgen bij de mensen zijn. Daar beginnen ze ’s nachts al aan te werken!
‘Ja,’ zegt vader, ‘dat weet ik wel. Maar hoe belangrijk het ook is dat wij ons nieuws op tijd horen, als daarvoor werk op zondag nodig is is het geen goed nieuws. Natuurlijk werkt de politie op zondag. Dat moet wel, want de misdaad werkt ook op de dag des Heren. Maar wat niet noodzakelijk is laten wij op zondag rusten. Zo wil God het en wij trachten naar Gods wil te leven.

Er zijn politici die naar die wereld van duivenmelkers en kattenmeppers terugverlangen. Ik wist al vrij jong dat ik mijn heilsboodschap elders moest zoeken.

Coen Peppelenbos

(tekening van A.D. Dekkers uit het betreffende boek)

Deze column verscheen eerder in een iets kortere vorm in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 23 december 2017.

0