Taal als dynamisch wezen

Erik Orsenna is het pseudoniem van de auteur Érik Arnoult (1947), die deel uitmaakt van de Franse bestuurselite, in 1974 debuteerde met Loyola’s blues en in 1988 de Goncourt kreeg voor L’Exposition coloniale, ofwel de koloniale tentoonstelling. Ik heb dat boek niet de gelezen, maar de titel alleen al lijkt me voldoende voor een heruitgaven van de Nederlandse vertaling die een jaar nadien verscheen bij uitgeverij Goossens. Of misschien ook niet, want het zijn verwarrende tijden en wat gisteren nog te boek stond als moreel hoogstaand wordt vandaag verguisd als het Zaad van Satan.

Hoe dan ook, ondanks zijn totale status in Frankrijk, waar hij het oor had van de socialistische president Mitterand en al twintig jaar lid is van de Académie Française bleef hij te onzent een onbekende, wat toch vreemd is – het zou ermee te maken kunnen hebben dat we geen ‘moeilijke boeken’ meer willen, met verbeelding, die niet direct teruggrijpen op het al dan niet verzonnen leven van de auteur en ook eens buiten de lijntjes durven kleuren, en we al helemaal geen belangstelling meer hebben voor wat in het buitenland gebeurt, met als uitzondering misschien de campussen van Amerikaanse universiteiten, geen idee eigenlijk, veel maakt het toch niet uit, verloren zijn we toch.

De eerste van de korte hoofdstukken zijn voldoende om het boek met een zucht van milde afschuw weg te werpen: een vertaler en vriend van de inmiddels overleden Cocteau verkast naar een eiland voor de Franse westkust. Mentaal bereid je je dan voor op pagina’s lang van het intellectuele geneuzel waar de Franse intelligentsia sinds Heidegger patent op heeft, maar dan gebeuren er steeds meer vreemde dingen.

Om te beginnen heerst op het eiland, dat aan de periferie eigenlijk niet echt tot Frankrijk behoort, een vorm van voorchristelijk heidendom, waartoe onder meer door de kosmische cycli beheerste orgien behoren. Rode draad in het verhaal is het boek waarvoor de vertaler een nogal onbezonnen contract heeft getekend: Ada, or ardor, van Vladimir Nabokov, het kwam op deze plek al vaker ter sprake. Op de huid gezeten door zijn uitgever, die uitputtende reizen heen en weer naar het eiland aflegt om hem te bezoeken, wordt hij steeds wanhopiger, tot de eilandbevolking hem te hulp schiet en aan het meevertalen slaat, zo goed en zo kwaad als dat gaat, wat natuurlijk bij vertalen altijd zo is, maar hier ook aansluit op het motief van een taal als een dynamisch wezen, onlosmakelijk verbonden met wie wij zijn. Het is uiteindelijk de transcendentie, die meneer pastoor met de ondergang van de kerk verloren ziet gaan, die het wezen van alles is, met schier ondoorgrondelijke teksten als die van Nabokov als brandpunt van een nieuwe eucharistie.

Enno de Witt

Erik Orsenna – Twee zomers – Vleugels, Bleiswijk. 152 blz. € 22,95.

1