De autist en de cannabisventer

Jonathan Griffioen sluit Gedichten met een Mazda 626 af met een ‘nawoord’. Daarin geeft hij zelf de beste samenvatting van zijn tweede bundel.

Ik heb een klein heelal, dat ik vernoem naar de rode mazda 626 uit 1990,
naar helen keller en naar jimmy, er zit nog veel omheen maar daar
kom ik niet vaak
[…]
pas als ik mij buiten de mazda beweeg, ken ik beperkingen
pas als ik beweeg zonder de mazda
ken ik beperkingen ben ik het lijf van een dertiger
zit ik vol socialevaardigheidstraining
en creationisten aan het roer van de lomschool

De bundel is geen traditionele verzameling van losse, min of meer samenhangende gedichten. Je kunt beter spreken van een kunstproject, zoals we dat vaak in de hedendaagse beeldende kunst tegenkomen: de kunstenaar neemt een thema en creëert installaties waarin dat op associatieve wijze en vanuit verschillende invalshoeken wordt belicht. Denk aan het werk van Mike Kelley, van wie een aantal jaren geleden een overzichtstentoonstelling te zien was in het Stedelijk Museum.

Bij Griffioen zijn de teksten in de bundel niet alleen thematisch met elkaar verbonden, maar ook door een verhaallijn. Die gaat ongeveer als volgt: een personage met de naam Jonathan Griffioen heeft in zijn jeugd de diagnose PDD-NOS gekregen, werd aan allerlei testen en therapieën blootgesteld en kwam terecht op de ‘debieltjesmavo’, gelegen in een bosrijke omgeving. In het verhaalheden blijft hij veertig uur wakker, raakt daardoor in verschillende bewustzijnstoestanden en gaat in zijn geest op zoek naar zijn overleden vriend Jimmy, een dealer in het bezit van een rode Mazda 626. Visoenen, herinneringen en gedachten wisselen elkaar af. De dichter laat ons toe in zijn hoofd, tot het episch centrum (nee, dit is geen fout) van zijn geest. We zien hem jongleren met herinneringen: aan Jimmy, de muziek van zijn jeugd, het rondhangen op straat (als in Griffioens eerste bundel Wijk). Verder ventileert hij gedachten over autisme, en associeert er lustig op los, zoals dat gaat in een hoofd. Als lezer sta je midden in een ‘stream-of-consciousness’, en als je je daarvoor openstelt, schenkt je dat een bijzondere ervaring.

Gaat Gedichten met een Mazda 626 over autisme? Ja, maar niet slechts in letterlijke zin. De bundel begint weliswaar met een uiteenzetting over PDD-NOS, psychiaters, ritalin, en er worden namen van bekende autisten genoemd, zoals Kees Momma en Saga Norén (The Bridge), maar Griffioen heeft het ook in meer algemene zin over isolement: het kleine gesloten heelal van ‘de rode Mazda 626 uit 1990’ die zijn meanderende weg door de bundel aflegt. De ‘ik’ zit opgesloten in zijn bewustzijn en is tegelijkertijd hoogst sensitief, lucide. Soms heeft zijn ervaring veel weg van een trip (Bart Huges, de man die in de jaren zestig een gaatje in zijn hoofd boorde om eeuwig high te zijn, komt zelfs even langs). Zo heeft hij visioenen:

valt als donder een cirkelend gat in de lucht
uit het cirkelende gat in de lucht groeit een licht
het licht is rood als de mazda de 626626
jimmy’s rode mazda 626 uit 1990
zet mij hiërarchisch achterin
jimmy’s rode mazda 626 uit 1990 – ik ben geen kostwinner
ik ben niet bang voor wat komen moet maar jimmy hoe kies ik tussen mijn lichaam?

Het kost in het begin misschien moeite om tot deze bundel door te dringen. In die zin heeft het werk zelf ook iets autistisch (in de betekenis die de volksmond eraan geeft), als veel moderne poëzie. Je kunt je afvragen: wat is dat met onze dichters? Willen ze nou communiceren of blijven ze liever rondjes draaien in hun eigen, vaak onnavolgbare, uiterst particuliere universum? Welke lezer is bereid om een bundel te herlezen, als de eerste lezing niks bij hem teweegbrengt? Bijna geen enkele, vrees ik. Nu kun je zeggen: had de dichter maar toegankelijker moeten zijn. Toch zou het, in het geval van Griffioen, jammer zijn als je het bij de eerste lezing zou laten, want pas na meerdere keren ontdek je het obsessieve van deze bundel, de intensiteit van de gehele ‘installatie’. Woorden en zinnen blijven terugkeren in de tekst en gaan verbindingen met elkaar aan, waardoor de beelden steeds meer beklijven. De rode Mazda 626, veld, kantoor, Jimmy, de zomerdag van Frank O’Hara, popsongs, Helen Keller, Darth Vader. Samen vormen ze een universum dat in het begin misschien ver van je af staat, maar dat je steeds nader komt, tot je plotseling beseft dat je er middenin zit en niet meer weg komt. Alsof de dichter, nadat je lang hebt staan beuken, de poorten van zijn geest voor je heeft opengezet en je toelaat tot het meest intieme deel van zijn bewustzijn. De rol van de doofblinde Helen Keller is overigens opvallend. Zij was weliswaar geen autist, maar ook zij zat opgesloten in zichzelf. Griffioen schrijft mooie regels over haar:

jimmy helen is een licht
uit een onbegrensd veld
dat verborgen ligt in het veld

bij bij voorbeeld het meest vrome deel
van de underground in het veld

De ‘underground in het veld’ zou je als een fraaie omschrijving van het onderbewuste kunnen zien.

Wat vorm betreft bewegen de teksten zich tussen proza, prozagedicht en zuivere lyriek in. Wat betreft dat laatste verschilt deze ‘poëzie’ van die in Griffioens eersteling Wijk: die is anekdotischer. Toch moet de bundel het niet van het bijzondere taalgebruik hebben. Bij sommige formuleringen vroeg ik me zelfs af of ik met een dichterlijke vrijheid of gewoon een taalfout te maken had (‘op de gordijnrails van mijn slaapkamer hangen drie gordijnen’ curs. H.S.). Lang niet alle gedichten redden het in hun eentje: het geheel is hier duidelijk meer dan de delen. Toch komt Griffioen geregeld met mooie beelden: ‘het is een schaduwdier, hij beweegt in mijn richting/ haperend; alsof hij vol kleinere dieren zit’. En dit gedicht, met zijn haast Gorteriaanse slot, kan zo in elke bloemlezing:

ik teken mijzelf omgord door een brommercolonne
in een baai omgord door broers met brommers
met huiskamers ingericht rondom speakers
en blote bovenarmen
en tatoeages van inmiddels dode honden
wij zijn op weg naar je
lieve elite
in de bastaard luister je
naar erik satie
en ik ook
ik ben ook in de bastaard
met jou
ik noem de namen van de pubers
die niet zijn afgehaakt
noem de namen van de elite
lieve – lichtgevende
lichtgevende – lieve
je hebt heel mooie ogen
wij raken je aan in de tuin

Henry Sepers

Jonathan GriffioenGedichten met een Mazda 626, Lebowski publishers, Amsterdam. 72 blz. € 19,99.