Een bezoek aan het sterfhuis van Multatuli

Koning Willem-Alexander opende eerder deze week het Multatuli-jaar. Het is op 2 maart tweehonderd jaar geleden dat Eduard Douwes Dekker in Amsterdam werd geboren. Vandaag is het 133 jaar geleden dat hij stierf in Ingelheim am Rhein. Voor Het Vrije Volk bezocht ik rond zijn honderdste sterfdag het huis waar Multatuli in zijn Duitse jaren woonde en vlak voor zijn 67ste verjaardag overleed. Een reportage uit 1987.

Niet zonder trots noemt Ingelheim zich Rotweinstadt. Bij  plaatselijke wijnboeren kun je proeven, en kopen natuurlijk. Flaschenweinverkauf geschiedt haast om het andere huis, maar – hoewel niet vies van een glaasje – het is niet daarom dat ik mij te Ingelheim bevind. (Maar nu ik er toch ben, etc.) Hier stierf, op 19 februari 1887, Eduard Douwes Dekker in het huis waarin hij ruim zes jaar woonde. Het staat er nog, het huis, aan de eeuwenoude straatweg die zich naar Mainz slingert, en het heet:  Hotel Multatuli.

Dus ik naar Ingelheim.

Onderweg, in Bonn, loop ik ongevraagd tegen het geboortehuis van Ludwig van Beethoven aan, maar Ingelheim moet ik drie keer rondrijden voordat ik ontdek dat het sterfhuis van Multatuli dat onwaarschijnlijk oranje gevaarte boven op die heuvel even buiten het dorp is.

Ter weerszijden van de Mainzer Strasse strekken wijngaarden zich uit. Florissant liggen ze er niet bij. Februari is ook niet echt het goede seizoen voor wijn. Links beneden, parallel aan elkaar, de spoorbaan, de autosnelweg en de Rijn. Boven, recht tegenover het hotel, een zuil die aan het een of ander moet herinneren, ik kan in de gauwigheid niet zien aan wat, maar dat ding zal er morgen ook nog wel staan. 

Het grind knerpt, zoals het hoort, onder de autobanden als ik de parkeerplaats opdraai. De bordestrap naar de hoofdingang wordt geflankeerd door bierreclames van het schemerlampmodel, hoe gezellig moet het binnen wel niet zijn. De menukaart naast de deur maakt nieuwsgierig naar de Multatuli-Becher, een nagerecht. Het is trouwens duidelijk niet de deur die Multatuli zelf open en dicht heeft gedaan – en eenmaal binnen is één blik voldoende om vast te stellen dat Multatuli zich evenmin in dit interieur kan hebben voortbewogen. Hotel Multatuli bestaat dan ook pas seit über 30 Jahren: er zal wel het nodige aan vertimmerd zijn, eisen des tijds etc.

Heidrun Witzke-Paul, de uitbaatster van het hotel, bevestigt dat later. ‘Alleen de buitenmuren zijn origineel. Behalve aan de voorkant dan, want daar is een erker afgebroken. Daar zat-ie wel eens. Vandaar uit had je een prachtig uitzicht op het dorp,’ vertelt ze. Dat nog altijd fraaie panorama valt nu te genieten vanuit de eetzaal, zo’n typisch voorbeeld van wat de Duitsers gezellig noemen. Het restaurant is trouwens ‘wegens de renovatie’ tijdelijk gesloten, alleen aan de hotelgasten (behalve schrijver dezes voornamelijk vrouwen van in de nabijheid gelegerde Amerikaanse militairen) wordt op verzoek een eenheidsdiner geserveerd dat Special heet en uiteraard uit de hier welhaast onvermijdelijke schnitzel en Bratkartoffeln bestaat.

Genoemde renovatie behelst het opnieuw inrichten van Multatuli’s werkkamer – mevrouw Witzke heeft het er maar druk mee. Ze troont me mee naar een kamertje aan de zijkant van het gebouw.

‘Was dit vroeger echt zijn werkkamer?’ vraag ik.

‘Nee, want dit is de nieuwe vleugel van het gebouw. Die was er honderd jaar geleden natuurlijk nog niet,’ antwoordt de hotelière terwijl ze over een rol tapijt heen stapt. In de ‘werkkamer’ staat tegen de achterwand een kabinet met glazen deuren. Daarin, lukraak uitgestald, enkele historische uitgaven van Multatuli’s werken (waaronder enkele in het Duits), een paar portretten van de auteur en een amateurkiekje van Dekkers geboortehuis in de Amsterdamse Korsjespoortsteeg (nu het Multatulimuseum). Mevrouw Witzke: ‘Nee, die kast is niet van Multatuli geweest. Die heb ik hier in de buurt op de kop getikt.’

Aan de zijwand een tapijt waarop Arabisch schrift en afbeeldingen van sultaneske types. Je zou, met half dichtgeknepen ogen, je kunnen voorstellen dat het een Indisch vloerkleed is en dat het zo versleten Is door het ijsberen van Eduard Douwes Dekker als hem geen nieuwe Ideën te binnen wilden schieten. Heidrun Witzke: ‘O nee, hoor, dat tapijt is van mijn moeder geweest.’

In het midden van het vertrek staat een teakhouten tafel waarvan al op het eerste gezicht duidelijk is dat Multatuli er nooit aan gezeten heeft. De elektrische kroonluchter moet ook van later datum zijn. Maar de klok, naast het wandmeubel, misschien is die…?

‘Nee, ook de klok niet. Ik heb geen enkel meubelstuk dat van Multatuli is geweest. Misschien brengen ze een tafel mee uit Nederland, maar ik geloof niet dat het Multatulimuseum iets wil afstaan,’ zegt mevrouw Witzke met iets van spijt in haar stem. ‘Maar de buitenkant van het huis is nog hetzelfde als toen. Nou ja, behalve de gevel van die erker dan…’ 

Die ‘ze uit Nederland’ zijn deelnemers aan het literaire symposium Wer war Multatuli? dat aan de vooravond van de honderdste sterfdag onder leiding van prof. dr. E. Leibfried van de universiteit van Giessen in Hotel Multatuli wordt gehouden, dit op initiatief van de Stadtverwaltung Ingelheim am Rhein en de Fridtjof-Nansen-Akademie für politische Bildung.

Vanuit het hotelbarretje slaan twee werklieden mij vanachter glazen bier meewarig gade terwijl ik probeer of er genoeg licht is om een foto van het rariteitenkabinet te maken. Ik struikel over de rol tapijt en weet mij, hinkelend, tuimelend, wankelend, uiteindelijk aan de bar in veiligheid te brengen.

‘Ja,’ begint mijn buurman als ik me op de kruk gehesen heb, ‘die Multatuli… Die is beroemd, niet?’

‘Zeker, ja, nou,’ zeg ik puffend. ‘Jazeker,’ voeg ik er aan toe. 

‘Weet je wie ook een beroemd Ingelheimer was?’ wordt mij gevraagd. Ik moet toegeven dat ik het niet weet.

‘Sebastian Münster!’

Er rinkelt geen belletje en evenmin gaat mij een licht op. 

‘Sebastian Münster, de cartograaf. Die op de biljetten van honderd mark staat. Hier, kijk.’ Hij trekt een flap van honderd tevoorschijn en toont mij het portret. ‘Maar ze doen in Ingelheim weinig voor hun beroemde zonen…’

‘Maar voor Multatuli wordt toch een tentoonstelling in het raadhuis ingericht?’ werp ik tegen. ‘Ja, ach, een tentoonstelling… Weet je, keizer Karel, Karel de Grote, die heeft hier ook gewoond. Hij woonde in Aken en in Ingelheim. Hier had hij een vesting.’

‘Is daar nog iets van over?’

‘Zeker, ik woon erin.’

‘Ha, ha, u bent me er een,’ lach ik.

‘Nee, echt. Mijn huis is gebouwd op de resten. Er staan nog een paar muren van meer dan een meter dik. En de weg van Bingen naar Mainz, weet je wie die heeft aangelegd? Napoleon. Staat op de gedenkzuil aan de overkant.’

Daar is mevrouw Witzke weer. Ze toont me het gastenboek, bijgehouden sinds 1981. Ik zet me aan ‘de schrijftafel van Multatuli’ en begin het door te bladeren. Mijn oog valt op een lang betoog dat is gedateerd 29 maart 1981 en ondertekend door Garmt Stuiveling, de in 1985 overleden bezorger van het bij Van Oorschot verschijnende Volledig werk van Multatuli. 

Es ist für uns ein reiches Erleben in der Gegend zu sein, wo Multatuli fast zwanzig Jahre gelebt hat und in den Hause zu übernachten, wo er die letzten sechs Lebensjahren gewohnt hat. Denn er ist nicht nur der grösste und berühmteste moderne Schriftsteller Hollands, er ist die Inkarnation der Kulturwende, welche das alte Zeitalten von dem neuen scheidet. 

Volgt een drie bladzijden lang college over Multatuli in wezen en tijd. In het gastenboek worden de handtekeningen van Adamo, zijne koninklijke hoogheid Leopold prins van Beieren en diverse Duitse zangeresjes afgewisseld met ernstiger bedoelde opmerkingen, zoals deze van W.L.A. van der Beek van het Multatuligenootschap, waarin een fout in de brochure van het hotel wordt recht gezet, zij het niet in foutloos Duits: 

Multatuli war gar keinen Dichter, sondern einen Schriftsteller, das ist doch wichtig da er geschrieben hat: ‘Alle Dichter sind Lügner und Fantasten.’ Er machte auch die Dichtkunst lacherig in seinem berühmten Roman ‘Max Havelaar’. 

Dr. Hermann, Schreiber, daarentegen ontboezemde:

Multatuli in allen Ehren – er war gewiss einer der grössten Dichter der Niederlande – doch, was ist sein ganzen Werk gegen einen Sonnenuntergange über Ingelheim, erlebt von jenem Punkt wo er sich sein Domizil erbaut hat?

Tja, een zonsondergang, doe die maar eens na.

Ik trek me terug op de mij toegewezen kamer 20, helemaal bovenin. Ook hier niets origineels. Het vertrek is ingericht met meubels van blank grenen. De klerenhangers in de kast en de handdoeken zijn helaas anoniem, maar op de kussensloop en de dekbedhoes staat Hotel Multatuli geborduurd. In bed lees ik de brief die Multatuli op 11 oktober 1880 vanuit Geisenheim verstuurde: 

Voor ’n week of tien kreeg ik bezoek van ’n man dien ik reeds by vorige gelegenheden als zeer hartelyk had leeren kennen. Hy bleef slechts twee dagen. Toevallig was er in zyn tegenwoordigheid spraak geweest van ’n huisje met tuin aan den overkant van den ryn dat te koop was, en we hadden ons uitgelaten dat wy ’t wel zouden willen hebben. Heel ernstig gemeend was, van myn kant althans, die wensch niet. Wel geloof ik dat Mimi ’t bezit van dat huisje aardig vond, want daar ik geen geld had kon ik niet aan kopen denken.

Toen ik m’n vriendelyke gast naar den trein bracht, zeide hy:

– O ja, wat dat huis te Ingelheim aangaat, koop dat maar. 

– Mooie grappen! Ik heb geen geld.

– O, dat heb ik wel. En ik zal ’t u zenden zoodra ge ’t noodig hebt.

Dat heeft-i gedaan! (Ik heb nu hier allerlei beraadslagingen en schryyery overgeslagen.) De nobele kerel heeft zonder eenige zekerheid vooraf te vragen, aan my overlatende welke rente ik betalen wilde, kortom op de meest flinke en edelmoedige wyze 14000 mark gezonden.

Zooveel was de eisch, doch ’t is voor 11000 mark gekregen, wat ik hem natuurlyk heb meegedeeld. Ik mocht zei hy ’t overschietende voor de noodige vertimmering gebruiken.

– Zoodat ik nu, beste Iterson, op m’n oude dag huiseigenaar geworden ben. Er is iets komieks in. Maar heelemaal pleizierig vind ik de zaak niet. Het project van vertimmering loopt ver ver uit den gis! En ik zie zeer tegen ’t verhuizen op. […] Als ik er nu in slaag dat huis vry te krygen, zoodat ik Mimi en Wouter iets nalaat… maar dat is de vraag. En wat zal zy na m’n dood met ’n huisje doen? Nee, dit trek ik in. Zeker zal zy er groente en vruchten teelen, genoeg om byna zonder geld te kunnen leven.

Enfin, al is m’n indruk over die acquisitie zeer gemengd. de zaak is beklonken en dus… geen zwartgallighedens!

Het huis ligt wel naby maar niet aan den ryn, en wel op ’n hoogte, aan de chaussée van Mainz naar Ingelheim. Te Ingelhelm had Karel de Groote een paleis (waarvan nog restes zijn) en de weg waaraan ik woon is onder zyn regeering aangelegd. Vlak by ’t huis staat in een touffe bomen ’n zuil waarop: 

Route de
Charlemagne
érigée (nam. de colonne denk ik)
sous la règne de SM
Napoléon par
préfet du département
etc.

Wat die ‘préfet’ met dien zuil bedoelde, wat hem bewoog…. wel, ’n voorwendsel om die twee keizersnamen op één steen te griffelen! Hoe dit zy, Charlemagne heeft in die buurt gehuisd, gewerkt, vergaderingen belegd, en:

– ’n Put gegraven! zegt m’n eenige buurman, ’n oude boer. Zoo zeggen ook de lui te Ingelheim. Die put is nu de myne. ’t Is de put op myn erf! Wie had dat gedacht? En al zy ’t nu niet historisch bewysbaar dat Karel de Groote dat ding graven liet, men zegt het, en dat is al iets, niet waar?

Dus de Mainzer Strasse is duizend jaar ouder dan mijn Duitse informant zo-even beweerde. Maar wat is duizend jaar vergeleken bij één zonsondergang? Die vraag helpt me moeiteloos in slaap.

De volgende ochtend zijn de werklieden druk doende het tapijt dat mij beentje lichtte te leggen. Nevelflarden hebben het dal gevuld, van Ingelheim is nauwelijks iets te onderscheiden, laat staan van de Rijn. In de tuin scharrelen een haan en kippen, eksters klapwieken boven het struikgewas en een schaap jaagt een valk op. En daar…: de waterput.

Mevrouw Witzke komt nu weer aanzetten met een manuscript. De Ingelheimer Karl Heinz Henn heeft een studie over Multatuli geschreven: Ich, Multatuli, der ich viel getragen habe — ich nehme die Feder auf! De titel is ontleend aan een passage in Max Havelaar: ’Ja, ik, Multatuli “die veel gedragen heb” neem de pen op.’ Of deze tekst ook wordt uitgegeven, wil ik vragen, maar mevrouw Witzke is alweer weg, druk als ze het heeft met het oog op het komende Multatuli-symposium. Vanuit de verte hoor ik haar uitvaren tegen het kamermeisje.

Ik staar uit het raam en vraag me af of het honderd jaar geleden hier ook zo kon misten. Voor iemand die aan astma lijdt, zoals Multatuli deed, lijkt me die weersgesteldheid niet de optimale – en dat terwijl het officieel om gezondheidsredenen was dat hij zich in Duitsland vestigde. De financiële gezondheid van de schrijver speelde dan ook niet minder een rol: er zijn haast geen brieven van hem bekend waarin hij de geadresseerde niet om geld smeekt, of waarin geld, eerder het ontbreken daarvan, het belangrijkste thema vormt.

Op het eind van zijn leven, toen hij al veel gedragen had, berichtte hij vanuit dit huis over zijn gezondheid: ‘Ik ben onwel en … bezig met doodgaan. Enfin!’ (6 januari 1887). ‘Ik ben lam van asthma en hoest, maar kan toch niet klagen daar ik in m’n lang leven over ’t geheel zoo gezond ben geweest.’ (10 januari 1887).

Zijn vrouw Mimi op de dertigste van die maand: ‘D. is heel zwak, verontrustend zwak. Juist deze laatste maand is dat zoo verergerd. lets versterkends nemen, een glas wijn drinken, of ook maar goed eten doet hij niet. Alleen kan hij goed slapen.’

In Wiesbaden bezoek ik die dag de Schillerplatz en de Schwalbacherstrasse, beide plekken waar Eduard Douwes Dekker óók heeft gewoond. Er is niets dat aan hem herinnert. De Schillerplatz is een onbeduidend pleintje waar enkele kantoorgebouwen aan staan, de Schwalbacherstrasse een brede verkeersweg langs het centrum. Winkels, een postkantoor, een seksclub – staat daar beroepshalve een dame op de stoep? Het heeft wel iets ironisch’: in de Korsjespoortsteeg, naast Multatuli’s geboortehuis, zitten de prostituees achter het raam, zijn sterfhuis is voordat het hotel werd een tijdlang een bordeel geweest, en andere plekken waar hij woonde blijken evenmin gevrijwaard te zijn gebleven van de handel in hoogtepunten. 

Terug bij het hotel zoek ik de op 11 oktober 1908 onthulde gedenksteen met de beroemde spelfout in Multatuli’s naam: ‘In dit huis overleed Eduard Douves Dekker’. Het ding bevindt zich aan de straatzijde, maar veel valt er niet meer op te lezen, afgesleten als de letters zijn. Dat er op de honderdste sterfdag een nieuwe gedenksteen wordt aangebracht, is geen overbodige luxe. Ik bekijk het huis nog eens goed en constateer dat het dak ook al niet het originele is. Waar eerst de erker was, werd later een eetzaal aangebouwd. Nog later, dat moet na 1964 zijn gebeurd, werd op die eetzaal de eerste verdieping ‘uitgerekt’ en het dak werd dienovereenkomstig vernieuwd. Maar ook in 1964 was het dak al niet meer het dak dat Dekker had beschermd tegen regen en wind, en waaronder hij op 14 februari 1887 zijn laatste brief schreef. Dr. A. Gorter was de geadresseerde. Multatuli speelde een schriftelijke schaakpartij met hem. ‘Ik brand van strijdlust. […] Zeg, als ge U te beroerd voelt laat dan toch a.u.bl. de partij wachten.’ Het woord ‘beroerd’ is mijn interpretatie van Dekkers handschrift: misschien staat er wel ‘slecht’.

De zet die hij in deze brief voorstelt, is zijn allerlaatste. Een paar dagen na zijn dood schrijft zijn vriend J. Zürcher in het Nieuws van den Dag:

[…] nog geen 10 dagen geleden heeft hij op zijne eigen onovertroffen treffende wijze het stukje ‘Rammelslag’ voorgelezen. Doch verleden Donderdag kreeg hij een heftigen aanval van benauwdheid, die den geheelen dag niet afging en ook ’s Vrijdags voortduurde. Dezen nacht sliep hij niet: de morphinepoeder, die zoo vaak reeds hem eenige rust bezorgd had, hielp niet, en hij zeide dan ook nu tot zijne vrouw: ‘dit is geene bui, dit is het einde.’ Zaterdagochtend liep hij nog op zijne vrouw steunende uit de slaapkamer naar de canapé op zijne eigen kamer; hij was steeds benauwd, zoodat hij weinig sprak, maar als hij iets zeide, was het helder en klaar; hij zeide, hoe te handelen met zijne kinderen, als hij dood zou zijn, beschikte ondergeschikte financieele zaakjes, en was in alles zooals hij steeds is geweest. Om drie uur had de kalmeerende drank, dien de doctor had gegeven, eenige uitwerking: hij werd rustiger en viel in slaap.

Uit dien slaap is hij niet meer ontwaakt; om vijf uur hield de ademhaling op, hij zat liggende in dezelfde houding, zooals hij gewoonlijk zijn middagdutje deed. Hij was niet veranderd, misschien iets meer ingevallen om het jukbeen.

Volgens Willem Frederik Hermans, in zijn monografie De raadselachtige Multatuli, was Eduard Douwes Dekker de eerste Nederlander die werd gecremeerd: op 23 februari 1887, in Gotha. Zijn as werd jarenlang bewaard op een boekenplank van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam voordat die in 1948 in blikken bussen werd bijgezet op de begraafplaats Westerveld. Rond zijn tachtigste sterfdag deed het verhaal de ronde dat de as was zoekgeraakt en vervangen door sigarenas. Het was maar een grapje, bekende de vice-voorzitter van het Multatuligenootschap acht jaar (!) later. 

‘Misschien is niets geheel waar, en zelfs dat niet.’ Multatuli zei dat.

Frank van Dijl

Deze reportage stond eerder in Het Vrije Volk Weekeditie van 19 februari 1987. Hotel Multatuli sloot zijn deuren op 30 augustus 2016. Het gebouw herbergt sindsdien een boeddhistisch meditatiecentrum.

1

Reacties