Logica van het onlogische

Het lijkt geen onjuiste bewering te zijn dat het niet raar was geweest als Sigizmoend Krzjizjanovski (1887-1950) een ‘vergeten schrijver’ was geworden. Tijdens zijn leven kreeg hij nauwelijks werk gepubliceerd; afwijzingen van uitgeverijen en de strenge censuur in de Sovjet-Unie verhinderden dat. Toen het in 1941 eindelijk zover leek te zijn dat een van zijn verhalenbundels doorgang vond, vielen de Duitsers de Sovjet-Unie binnen en was publicatie van de baan. Na de dood van Krzjizjanovski was het zijn geliefde die zijn manuscripten verzamelde en in bewaring bracht, waarna ze pas in de jaren zeventig werden herontdekt. In 1989 verscheen voor het eerst een van zijn romans in druk, en pas in 2016 en 2017 volgden de eerste Nederlandse vertalingen: respectievelijk De terugkeer van Münchhausen bij Uitgeverij Pegasus en Het rondzwervende ‘Vreemde’ bij De Wilde Tomaat, beide in vertaling van Monse Weijers (in beide gevallen is de auteursnaam overigens geschreven als Krzizjanovski). Nu verschijnt bij Uitgeverij Vleugels onder de titel Autobiografie van een lijk en andere verhalen de eerste verhalenbundel van Krzjizjanovski in Nederlandse vertaling.

Wie een van de eerdere vertalingen heeft gelezen, zal begrijpen waarom het vaak de censuur was die publicatie van Krzjizjanovski’s werk in de weg stond. ‘Realisme’ is een rekbaar begrip – wat als een uitbeelding van de werkelijkheid wordt gezien, is afhankelijk van hoe die werkelijkheid wordt begrepen –, maar dat een verhaal over Baron Münchhausen die 130 jaar na zijn dood terugkeert en allerlei bijzonder sterke verhalen vertelt over zijn bezoek aan de Sovjet-Unie – zo zou hij na gereisd te hebben met een verkeerd tramkaartje gefusilleerd zijn met klappertjespistolen – of een vertelling over iemand die na het drinken van een vloeistof krimpt tot minuscuul formaat en zo een reis door zijn appartementencomplex onderneemt, niet kan doorgaan voor realistisch naar socialistische snit, moge duidelijk zijn. Ook de vertellingen in Autobiografie van een lijk hebben voornamelijk een fantastisch karakter: ze verhalen over de vingers van een pianist die zich lostrekken van hun arm en het op een lopen zetten, een goedje dat eenmaal op de muren gesmeerd een kamer tot in het oneindige doet groeien of een man die het tot levensdoel heeft gemaakt in zijn eigen elleboog te bijten.

Het titelverhaal is het langste en tevens meest veeleisende verhaal in de bundel. De journalist Sjtamm reist af naar Moskou, waar sprake is van een woonruimtegebrek. ‘Hij wist dat er op het hoofdstedelijk schaakbord niet voor alle stukken een veld beschikbaar was. Lieden die in Moskou waren geweest, joegen hem schrik aan: alles zat barstensvol, tot aan de daken toe.’ Blij is hij dan ook wanneer hij een kamer van tien vierkante meter weet te bemachtigen, tot hij daar een manuscript aantreft van de vorige bewoner:

‘Wie u ook bent, bewoner van kamer 24,’ begon het manuscript, ‘voor mij bent u de enige persoon die ik ooit een plezier zal kunnen doen: als ik immers mijn tien vierkante meter niet had ontruimd door mezelf op te hangen aan een haak in de linkerhoek bij de deur van uw huidige woning, was u er vast en zeker niet in geslaagd om zo gemakkelijk een rustig plekje voor uzelf te vinden. Ik schrijf dit in de verleden tijd: een exact berekende toekomst presenteert zich in onze gedachten immers als iets wat voltooid is, en dus nagenoeg als verleden tijd.’

Het is het begin van een relaas waarin dit ‘lijk’ vertelt over de gebeurtenissen die hem aanvankelijk van de wereld vervreemden, maar al gauw uitmonden in de door hemzelf zo genoemde ‘zielloop’ die hem ook zichzelf doet verliezen; bij leven is hij al niet meer dan een lijk.

‘Autobiografie van een lijk’ is donkerder, grauwer getoonzet dan de andere verhalen in de bundel. De taal van Krzjizjanovski behoudt meestentijds juist een bepaalde lichtheid. Het is een bloemrijke, vindingrijke taal (het verlies van de ziel in het titelverhaal heet ‘verziellozen’; de vingers die zich in ‘De weggelopen vingers’ van de arm hebben bevrijd zijn ‘losruksels’) waarin de toon van de ironicus altijd aanwezig is:

Sjoesjasjin had zeer veeleisend werk: werkloosheid. Iedere dag een tiental beloftes nalopen, per telefoon aan een dozijn vijfcijferige nummers vragen: ‘En? Ook? Echt niet? Morgen?’, deuren platlopen, er onderwijl voor uitkijkend zijn schoenzolen niet stuk te lopen, want die werden dag na dag schraler, evenals zijn hoop.

Veel van de verhalen uit de bundel nemen een bizar gegeven of idee tot uitgangspunt, en werken dit uit, doordenken het als het ware. In ‘Gele steenkool’ is er sprake van een economische en ecologische crisis: aanhoudende droogte, stijgende temperaturen, smeltende gletsjers – je zou Krzjizjanovski, die dit in 1939 schreef, bijna visionair noemen. ‘De aarde had koorts. Gegeseld door diens gele zweepslagen draaide ze om de zon heen als een derwisj die zijn woeste dans ten einde danst.’ De oplossing voor het probleem van oprakende energiebronnen wordt gevonden in energiewinning uit de door sociale spanningen veroorzaakte onderlinge nijd tussen mensen: gal als ‘gele steenkool’. Krzjizjanovski beschrijft hoe de samenleving succesvol wordt ingericht om de productie van gal te optimaliseren, tot de gerieflijkheid van de tot grote hoogte gestegen welvaart onherroepelijk leidt tot het afnemen van spanningen en het stokken van deze galproductie. Zo doordenkt Krzjizjanovski een fantastische gedachte tot in zijn uiterste consequenties, en ontdekt zo als het ware een logica in het onlogische.

Wie heeft genoten van de eerdere vertalingen van Krzjizjanovski zal dat met deze verhalenbundel ook zeker doen: dezelfde ironische toon, hetzelfde spel met de taal waar het plezier van de schrijver uit blijkt, dezelfde dubbelzinnigheid, hetzelfde soort fantastische elementen – waarbij vooral dat laatste op de korte baan beter tot zijn recht lijkt te komen, alsof het Krzjizjanovski dwingt tot een grotere concentratie om deze elementen zo met meer kracht naar voren te brengen. De vertaling van Annelies de hertogh en Els de Roon Hertoge leest fris en vlot – het eerder genoemde vindingrijke van Krzjizjanovski’s taal komt goed tot zijn recht. In een kort nawoord, waarin voornamelijk de biografie van de auteur wordt besproken, opperen de vertalers de gedachte dat de lezer na de zeven verhalen uit deze bundel misschien naar meer verlangt; hopelijk is het een suggestie om ook aan dat verlangen te beantwoorden. Goed dat Krzjizjanovski niet is vergeten.

Remco Nieberg

Sigizmoend Krzjizjanovski – Autobiografie van een lijk en andere verhalen. Vertaald door Annelies de hertogh en Els de Roon Hertoge. Vleugels, Bleiswijk. 128 blz. € 23,95.

(foto via Flickr Commons)

0

Reacties