Werelds en bovenaards

Achterop Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf staat heel treffend dat het hier de eerste bundel betreft van de Nederlandse dichter Lamia Makaddam – van oorsprong Tunesische, die aldaar Arabische taal- en letterkunde studeerde, drie dichtbundels in het Arabisch publiceerde – die naar het Nederlands is vertaald. Abdelkader Benali zorgde voor de hertaling, Joost Baars redigeerde. Makaddam woont al decennia in ons land, beheerst de taal vloeiend, is journalist en vertaler, maar in je moedertaal kun je waarschijnlijk nog net iets genuanceerder de beelden verschuiven. En ergens bemerk je in deze gloedvolle bundel lyriek dat wonder van de samensmelting van verschillende talen, culturen. De derde heel eigen entiteit die daardoor ontstaat. Met daar bovenop het idioom dat de lezer schept door het innerlijke gesprek dat hij of zij aangaat.

Een boek moet gekwalificeerd worden – Ja, waarom eigenlijk – en in dit geval staat er ‘gedichten’ op het omslag. In zekere zin doet die indeling de inhoud te kort. De teksten zijn rijk geschakeerd, hebben zo af en toe de lengte, de bladspiegel van een kort verhaal – ja, wat wil je bijvoorbeeld wanneer de schrijver verhaalt over bedrog – zijn zo veelzeggend als de taal, die gemutileerde bedelaar, maar toestaat. Dit werk van Makaddam is heel toegankelijk, geen onnodige verdichtsels, geen taalgepruts, woordkokerij, maar het pure bloed van de emoties. De verbeelding pur sang zogezegd. In Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf – letterlijk te nemen, je vindt de schrijver, als mens, als lichaam terug in de letters, de karakters, de symbolen – valt vooral veel te genieten door de herkenning, door de cadans, door de originele klankkleur, de schoonheid van de eenvoud die vaak zo moeizaam te distilleren is. ‘Wat we zeggen moet zo simpel zijn als onze ademhaling. Daarom is de poëzie geboren.’

Makaddam durft af te dalen naar de diepste krochten, trekt het lichaam letterlijk uit elkaar en assembleert het opnieuw. Met de ogen in de hand, het hart op de punt van de neus. Nieuw, anders, het verschoven beeld van de dichter, van de mens die de voelhorens daadwerkelijk gebruikt. De bijzin, het detail, dat een scène net even doet kantelen. De pure kracht van de symboliek, de schrijver, dichter die de bron laat overstromen, zonder hinderlijke sentimentaliteiten. Hier spreekt uitsluitend de intensiteit, de oprechtheid, de schoonheid. Het is de mens, bij uitstek een dolende, een verdwaalde, die benoemt, houvast vindt, de oase doorgeeft. Geen fata morgana, maar een plek waar je daadwerkelijk verkoeling vindt, je kunt laven. Je zult me vinden! ‘In mijn borst heerst een woestijn waarin dichters en minnaars sinds het begin der tijden zijn verdwaald.’

Deze bundel is dagelijks, werelds en bovenaards tegelijk. In alle contrast een absolute eenheid. Gedichten onthullen de welsprekendheid van het detail. Met weinig woorden alles zeggen. Eens te meer doet dit werk van Lamia Makaddam je beseffen dat de woorden – door de letterlijke ‘dunheid’ – zo fragiel zijn door de druk die het leven op hen legt. De druk die op de mens wordt gelegd, puur door het bestaan.

Hoe anders dan met letterlijk het woord ‘woord’ kan Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf eindigen, daar begint en eindigt een tekst, een mens mee. De taal heeft gelukkig altijd het laatste woord. De dichter en de lezer stellen vragen, denken na over antwoorden, benoemen ze nóg niet, misschien wel nooit. We zijn allen ‘in afwachting van de laatste wind’. Mag dit slotakkoord van de tekst die ‘Als ik op een dag poëzie schrijf’ getiteld is, als een motto gelden.

‘En als het gemis in je hart woont, / dan weet je dat tenminste iets het vult./ Schrijf vanuit die duisternis/ die het leven minder wreed maakt.’

Guus Bauer

Lamia Makaddam – Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf. Uit het Arabisch vertaald door Abdelkader Benali. Jurgen Maas, Amsterdam. 68 blz. € 19,99.

4