Larcenet vindt het, raakt het kwijt en alles niet zo’n beetje ook

Drukke baas, die Franse stripmaker Manu Larcenet. Eind mei verscheen zijn Ravian-pastiche Het pantser van Jakolass en onlangs volgde alweer een nieuwe titel: het eerste deel van Groepstherapie, De dansende ster. In dat album met losse verhalen en skits grijpt Larcenet terug op zijn eigen leven, nota bene een artiestenleven in verval. Hij introduceert zich aldus: ‘ik ben ietwat gespannen momenteel. Ik ben namelijk een uitgespeelde artiest.’ We zien een logge, lichtgeraakte tekenaar die bij het minste of geringste stilvalt en daarna in een woedeaanval uitbarst. Zijn redding is het medicijnkastje dat gaandeweg enorme proporties aanneemt, evenals zijn inname.

In Groepstherapie laat Larcenet zien hoe het is om gevierd te zijn en tegelijk tegen een enorme blokkade aan te lopen. Of althans, ooit werd hij bejubeld, dat is al even geleden. Zelfs zijn kinderen zijn blasé. Door het album gaat hij op zoek naar nieuwe verhalen, nieuwe ideeën en concepten, die tot ons komen als onaffe passages in een groter geheel: dat van een zoektocht naar het volgende succes. En steeds gaat het idee aan flarden en vliegen de snippers tekenpapier in het rond.

Zijn eerste aanzetten zijn overigens stuk voor stuk hilarisch. Bijvoorbeeld dat van de twee oermannen die voor de zoveelste dag op rij wollige mammoeten op rotswanden gaan tekenen. De ene verzucht dat hij de mammoeten beu is. ‘We zouden toch iets persoonlijkers kunnen tekenen? Ontreddering, vreugde, levensangst, hoop, verlangen?’ om vervolgens te verzanden in een zalige dialoog over de grenzen van de realiteit en het opzetten van een narratief systeem ‘om de boel te laten evolueren’.

Zo rijgt Larcenet de korte scènes en verhalen aan elkaar tot een hilarisch geheel met een flinke vaart, waarin zijn kinderen, de slager en Paul Cézanne leuke bijrollen vervullen. En wat te denken van de cameo van God? Zelfs het Opperwezen kan Larcenet niet uit zijn lethargie tillen, evenmin de tips en tricks van Leonardo da Vinci.

Het album bevat losse verhalen, aanvankelijk afgewisseld met de avonturen van Jean-Jacques & Bruno, twee mannen in stropdas. De verhalen die Larcenet bedenkt – en die we te zien krijgen – tekent hij in de vorm waarin ze bedoeld zijn. Zo is er een onvervalste manga, met zinloze actie en veel bloed – precies zoals zijn zoontje het graag leest.

Alles is keurig vertaald en uitgevoerd. De swingende handlettering gaat verder dan de tekstballonnen. Frits Jonker, letteraar van dienst, heeft zich ook gebogen over de titels en hier en daar de logo’s. De pagina’s hebben vanwege de collage-opmaak en de lappen tekst iets weg van Rhaa Lovely, het absurd-cynische striptijdschrift uit de jaren tachtig. Inhoudelijk haakt het aan bij Larcenets eerdere serie Terug op aarde, dat immers ook over hem zelf ging, al was dat beduidend zachter en schattiger.

Het eerste deel van Groepstherapie eindigt in een inrichting, wat bepaald geen spoiler is. Wie dat niet al op bladzijde 1 zag aankomen heeft bovendien de titel niet begrepen. Hoewel sommige striplezers vast uitzien naar nog een Blast of nog een Brodeck, om twee van zijn recente, serieuze successen te noemen, is Larcenet met de rauwe humor van Groepstherapie echt op dreef. De dansende ster is een perfect album dat velen de zomer door helpt: de vrolijke lezer en de scheppende artiest.

Stefan Nieuwenhuis

Manu Larcenet – Groepstherapie 1: de dansende ster. Dargaud. 56 blz. hardcover. € 15,95.

1

Reacties