Martin Ros – Door boeken omgeven

Midden jaren negentig was Martin Ros mijn collega bij De Arbeiderspers. Ik was erbij toen Martin zijn hersenbloeding had. Ik was naar zijn kamer gegaan om de kopij op te halen van zijn boek Heersers van de Tour, dat hij samen met Wout Koster aan het schrijven was. Ik zou de redactie doen. Hij keek me glazig aan en murmelde onsamenhangende teksten. De aantekeningen in zijn kopij waren een volstrekte warboel. Ik waarschuwde uitgever Ronald Dietz, die de ernst van de situatie inzag en Martin onmiddellijk naar de bedrijfsarts bracht. Martin herstelde wonderwel van zijn hersenbloeding. Toch heeft hij niet lang meer bij De Arbeiderspers gewerkt, in 1997 ging hij met vervroegd pensioen. Bij zijn afscheid hebben collega Peter Nijssen en ik een lang interview met hem gehad. Hij nam ons in Hilversum mee in een urenlang gesprek over zichzelf, boeken, de wereld en nog veel meer, waarbij feit en fictie nog wel eens door elkaar liepen. Een selectie uit het vele dat ter tafel kwam.

Naam en voornaam:
Martinus Hendricus Maria Ros.

Geboren, waar en wanneer?
Twee, één, zevenendertig in Hilversum, Fazantstraat 12, in de voornacht. Het was natuurlijk een verschrikking dat ik eraan kwam, maar ze hebben het uiteindelijk toch met luid gejuich geaccepteerd. Ze vonden hem toch maar leuk. Mijn moeder was al achtenveertig, begrijp je, maar het schijnt toch een gunstige geboorte te zijn geweest.

Je vader:
Mijn vader was opzichter in een weverij, waar hij toezicht moest houden op de wevers die op basis van stukloon werkten. Hij verdiende minder dan de stukloners. Naast het werk in de weverij had hij onvoorstelbaar veel andere banen, maar daar kwam bij mijn weten toch geen extra geld uit. Hij was van vele instellingen secretaris-penningmeester. Toch zijn er mij geen oneerbaarheden van hem bekend. Mijn moeder was er altijd een groot tegenstander van dat hij er hele avonden en zaterdagen aan besteedde. De zondag was voor het gezin.

Je moeder:
Een typische, klassieke, katholieke gezinsvrouw. Alles wat uit het katholicisme tot haar kwam was als manna voor haar. Als verre nakomer had ik met haar een intense band. Ook Iater was ik degene die haar nog geregeld bezocht. Toen ze uiteindelijk in een tehuis zat, woonde ze op de hoogste verdieping. Ze wilde graag naar de wolken, weet je.

Wat was je eerste seksuele ervaring?
Die heeft zich uiteraard afgespeeld in de rijke roomse jeugd, zo tussen mijn dertiende en vijftiende, zestiende jaar. Er was in die tijd een uiterst levendig vertier tussen de jongens en meisjes. We speelden bij regenweer vaak in de schuren achter bij ons huis en je kon daar de oudere meisjes heel gemakkelijk en soepel verleiden eens iets te tonen. Verder gebeurde het natuurlijk op de hei. ‘Heitje pikken’ noemden we dat, zogenaamd om een spel te doen. Ik kan nog de kuilen aanwijzen waar het gebeurde: het hele complete voor- en naspel en alles wat je maar bedenken kunt. Er waren natuurlijk veel geboden en verboden in die tijd, maar je trok je er niets van aan. Bovendien kon je altijd biechten.

Je eerste vakantie?
De eerste vakantie alleen? Dat weet ik nog precies. Ik was dertien of veertien jaar, ik zat net op de middelbare school. Ik had pas een kunst-en-vliegwerkfiets, een uit allerlei stukken en brokken bij elkaar verzamelde racefiets. lk had ontdekt dat ik kon klimmen en wilde eerst naar Zuid-Limburg maar ik dacht ik ga verder. Ik ging naar de Ardennen. Met een scheet en een knikker. Het geld was al na zes of zeven dagen op, maar daar had ik iets op gevonden. Ik had van een vriendje het advies gekregen naar het plaatselijke politiebureau te gaan en daar te zeggen dat mijn vader agent was. Dat ging altijd goed: je kreeg voedsel, koffie en een prachtige cel. O, dat was heerlijk.

Waarom heb je voorkeur voor Surinaamse vrouwen?
Ze hebben alles wat andere missen. In de eerste plaats zijn ze niet blank, en dat is al mooi meegenomen. In de tweede plaats is hun ziel hun hele wezen. Heb je een goede relatie met een Surinaamse vrouw, dan is ze voor 90 procent ziel. Haar vrouwelijke bekoringen nemen dan veel hogere vormen aan. Ook hebben ze een ongelooflijk vermogen tot daadkracht. Suriname zou niets zijn zonder vrouwen.

Waarom ben je nooit getrouwd?
[Ineens wat somber.] Dat is een goeie vraag. lk denk dat ik nog altijd op de ware wacht. Het is geen keuze geweest.

Kinderen?
Ze zullen er wel zijn. lk houd dat volstrekt niet voor onmogelijk. Van eentje weet ik het zeker. Haar moeder zei tegen mij: Martin, ik ben zwanger en wil dat kind hebben. Ik sta op het punt te trouwen met iemand. Maar als je wilt ben ik bereid met jou te trouwen. Ik was toen een jaar of tweeëntwintig. Dat kind is geboren en zal inmiddels een stuk in de dertig zijn. Ik heb wel eens gedacht ik zou d’r willen zien. Zo zijn er misschien nog een paar, maar men heeft me er nooit mee lastiggevallen. Ik heb wel eens zo’n meisje zwanger gemaakt over wie ik dan later hoorde dat ze een abortus had laten plegen. Ach nee, ik heb ze nooit gemist – er zijn zoveel kinderen! Ze strelen de hele dag mijn oog! En ik ben dol op ze, dat weet je. Ze komen ook op mij af. Dat komt omdat ik zonder enige vooringenomenheid tegen iedereen even aardig ben.

Het mooiste moment uit je loopbaan?
Het moment waarop ik doordrong in het geborchte van de Russische ambassade in Den Haag, twee jaar voor de ineenstorting van de Muur. We hebben daar het zevende deel van de herinneringen van Paustovskij gebracht, samen met een expositie van alle uit het Russisch vertaalde boeken van De Arbeiderspers. Hiervan was zo’n 75 procent in de Sovjet- Unie verboden. Theo Sontrop hield daar een prachtige rede die ík overigens geschreven had. Ja, zo gaan die dingen. lk zie nog die wankele ambassadeur – hij is geloof ik twee jaar later overleden – die toen al wist dat zijn tijdperk ter kimme neeg.

Flaubert, Proust, Thomas Mann of Harry Mulisch?
Thomas Mann is voor mij de grootste schrijver uit de wereldliteratuur. En Doctor Faustus is hét boek, van de eerste tot de laatste letter een must. Hij is ook de meest humoristische schrijver die ik ken.

Wat is je beste boek?
Dat is onherroepelijk Vuurnacht. Er is net een groot boek in Amerika verschenen, The Americas in the Age of Revolution (1750-1850), geschreven door Lester Langley, een groot kenner van de Zuid-Amerikaanse geschiedenis, waarin – en daar ben ik erg trots op – een heel hoofdstuk over mijn Toussaint-boek gaat. Het is een loflied op mijn boek. Het accentueert wat in de kritiek te weinig naar voren is gekomen, namelijk dat ik voor het eerst heb belicht waar die geweldige volkskracht bij Toussaint vandaan is gekomen. De geschiedenis van Toussaint is een wonder en ik hoop dan ook het vervolg op Vuurnacht te schrijven.

Je favoriete sport buiten het wielrennen?
Ongetwijfeld schaken. Vind ik ook heerlijk om naar te kijken. De wijze waarop schakers zich gedragen, hoe ze elkaar besluipen – dat is fantastisch om te zien. Je moet toch weten dat je hier naast een oud-jeugdkampioen zit. Ik heb leren schaken van mijn broers, eerst van mijn oudste broer Jan, daarna van Ad. Ze wilden mij verpletteren, en dat gebeurde natuurlijk ook. En dan maar lachen: hij leert het nooit, die kleine. Tot de dag aanbrak waarop ik hen verpletterde. Op een gegeven moment zat ik verveeld naar de boekenkast te kijken als ik met ze moest schaken, want elke zet was raak. Vooral mijn jongste broer was altijd heel treurig als hij door mij werd vernederd.

Ben je ijdel?
Jahaaa. Vréselijk ijdel. Maar z’n ijdelheid [Martin voert zichzelf plotseling in de derde persoon op] wordt bedwongen door zijn alomtegenwoordige nieuwsgierigheid. De ijdelheid is zichtbaar en meetbaar: hij wil altijd een mening hebben, hij wil altijd iets gezien hebben, maar hij is ook heel nieuwsgierig naar wat de ander in te brengen heeft. Als Theo Sontrop een goede dag had hing ik aan zijn lippen. Dan belde hij me op maandagochtend. ‘Zeg kom jij even boven?’ Ging ie me anderhalf uur zitten toespreken over de boeken die hij gelezen had. lk was gezegend na zo’n sessie.

Je beste eigenschap.
Mijn trouw – nee, hè? Ik probeer toch altijd mijn woord te houden… Mijn beste eigenschap… weten jullie het? Volharding? Dat ik niets gelijkhebberigs heb? Ik zou het werkelijk niet weten. lk weet dat er te veel dingen zijn waarin ik later toch weer blijk te falen, doordat er andere dingen tussendoor komen die ik op dat moment niet kon voorzien. Ik kan nooit zo’n rechttoe-rechtaangedrag etaleren. Ach ik ben wel ondeugend, maar toch ook niet echt leugenachtig. Ben ik rancuneus? Weten jullie het? O, mijn gedrevenheid. Ja, het ligt zo voor de hand.

Je slechtste eigenschap.
Dat ik te lang in sommige dingen blijf geloven. Ik heb bijvoorbeeld te lang geloofd in een bepaalde vorm van socialisme. Ik zag allerlei minpunten, maar ik geloofde dat daar met vereende krachten overheen te komen was. Het is kortom mijn idealisme dat mij altijd parten heeft gespeeld. Het is mijn verkeerde bereidheid om in schurken als Stalin en Hitler ook die kern van idealisme te zien. Die mensen hadden een hart naast een spoor van slechte gedachten. Hitler heeft mensen laten uitroeien, maar hij wilde de wereld ook vooruithelpen om rustig te gaan slapen in de eeuwigheid als hij eenmaal het duizendjarig rijk zou hebben opgericht in Europa. Idealisme is een gevaarlijke eigenschap, een dwaling.

Een laatste wens.
Rustig sterven. En dan zo geleidelijk aan, terwijl ik er zelf al half naar verlang, naar de hemel zeilen.

5