Het geluk misgrijpen

De Russische Bibliotheek leeft: niet alleen worden er nog altijd nieuwe auteurs toegevoegd aan de reeks, zoals Paustovski, Pasternak, Charms en Platonov, ook verschijnen er de laatste jaren nieuwe vertalingen van werken die al onderdeel waren van de reeks. Zo zijn er nieuwe vertalingen verschenen van werken van Tsjechov, Tolstoj, Dostojevski, Gogol en Poesjkin. Nu is het de beurt aan Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883). In een vuistdik deel (mede doordat het niet zoals de meeste delen in dundruk is) zijn nu vijf van Toergenjevs zes romans samengebracht – over het ontbreken van Nieuwe gronden (1877) schrijft de vertaalster dat het als ‘zwakste van Toergenjevs romans’ uit ruimtegebrek moest worden weggelaten. De oude vertalingen door Karel van het Reve waren weliswaar nog goed te lezen, maar de vlotte en natuurlijke vertaling van Froukje Slofstra zal maken dat Toergenjevs romans weer langere tijd meekunnen.

In Roedin (1856) belandt de titelheld, min of meer per toeval, op het landgoed van de rijke weduwe Darja Lasoenskaja, waar hij met zijn intelligentie en idealisme algauw een goede indruk maakt. Darja Lasoenskaja zelf is gecharmeerd van hem, maar er blijkt meer wederzijdse interesse te zijn tussen haar dochter en Roedin. Tegelijkertijd is Roedin niet de enige die een oogje heeft op deze dochter, Natalja genaamd: de in de buurt wonende Volyntsev hoopt, stilzwijgend, in Natalja zijn aanstaande vrouw te hebben gevonden. Vrijwel direct nadat Roedin en Natalja uitvinden dat hun liefde wederzijds is komt dit Darja Lasoenskaja ter ore waarop ze haar dochter te kennen geeft nooit te zullen instemmen met een huwelijk tussen die twee. Dit blijkt voor Roedin genoeg reden om af te zien van deze liefde, tot grote teleurstelling van Natalja die had gehoopt dat Roedin met haar zou vluchten. In plaats daarvan vertrekt Roedin alleen, en komt het toch tot een huwelijk tussen Natalja en Volyntsev. In een epiloog komt de lezer te weten hoe in het verdere verloop van Roedins leven al zijn hartstochtelijk begonnen ondernemingen op niets uitlopen – gelijk dat ging met zijn kortstondige liefde voor Natalja. Toch komt dit alles in een ander licht te staan wanneer Roedin op de barricaden in het Parijs van 1848 tot zijn einde komt.

Ook Een adelsnest (1859) vertelt van een ongelukkige liefdesgeschiedenis. Wanneer hoofdpersoon Lavretski aankomt bij familie in een niet nader genoemde ‘provinciestad’ zijn de verhalen over zijn vrouw hem al vooruitgesneld: zij heeft hem bedrogen en sinds Lavretski haar om deze reden heeft verlaten leeft ze er lustig op los, zoals te lezen valt in de kranten. Lavretski daarentegen wenst niet anders dan zich in de rust van een klein dorpje dat hij bezit terug te trekken:

Intussen borrelde, snelde en denderde het leven op andere plekken voort; hier stroomde hetzelfde leven onhoorbaar voorbij, als water langs moerasgras, en Lavretski kon zich tot aan de avond niet losrukken uit zijn gepeins over het terugwijkende, wegvloeiende leven; het verdriet over het verleden smolt in zijn hart als sneeuw in de lente en hij had zich, vreemd genoeg, nog nooit zo diep en sterk verbonden gevoeld met zijn vaderland.

Bij zijn familieleden ontmoet hij echter de dochter des huizes, de vrome Liza, en wordt verliefd op haar. Het rustige, teruggetrokken leven dat hij voor zich zag wordt doorbroken door de hoop op een ander leven, gevuld met liefde, wanneer Lavretski in een roddelkrant leest dat zijn vrouw is overleden. Als blijkt dat Liza bovendien ook van hem houdt en na lang uitstellen het huwelijksaanzoek van een zekere Pansjin – tegen de wil van haar moeder in – afwijst, lijkt Lavretski’s hoop te worden vervuld. Echter, op dezelfde dag dat Liza Pansjin afwijst verschijnt Lavretski’s dood gewaande vrouw bij hem thuis. Aan de hoop komt zo een abrupt einde: Liza trekt zich terug in een klooster, en Lavretski richt zich alsnog op het beheer van zijn landgoed.

In Aan de vooravond (1860) zijn twee vrienden, de ietwat lichtzinnige beeldhouwer Sjoebin en de net afgestudeerde, ernstige Bersenjev, beiden verliefd op het meisje Jelena. Bersenjev nodigt een door hem bewonderde studievriend bij hem thuis uit. Deze vriend, de Bulgaar Insarov, is voornemens te strijden om zijn vaderland te bevrijden van de Turken. Dit vurige maar praktische idealisme – Insarov is druk met de voorbereidingen voor deze bevrijdingsstrijd – maakt Insarov een stuk interessanter en aantrekkelijker voor Jelena dan Sjoebin en Bersenjev zijn. Ze worden op elkaar verliefd, besluiten dat zij hem zal volgen naar Bulgarije en trouwen in het geheim. Nog voor ze kunnen vertrekken wordt Insarov ernstig ziek en balanceert op het randje van de dood, maar overleeft. Al blijft zijn toestand uiterst wankel, zodra zijn gezondheid het enigszins toelaat vertrekken de twee, waarschijnlijk tegen beter weten in. De reis loopt over Venetië – iets wat eerder dan door de logica van de route lijkt te zijn ingegeven door Toergenjevs wens voor een passend decor; schitterend beschrijft hij de weemoedig stemmende vervallen pracht van de stad: ‘Kolossale palazzi en kerken verrijzen licht en wonderbaarlijk, als de harmonische droom van een jonge God; er is iets sprookjesachtigs, iets fascinerend vreemds aan de grijsgroene glans en de zijdeachtige schakeringen van de stilzwijgende kanaalgolven, aan het geluidloze voortsnellen van de gondels en de afwezigheid van platvloerse stadsherrie, platvloers tumult, kabaal en rumoer. “Venetië is stervende, Venetië is verlaten,” vertellen de bewoners u; maar misschien was dat wel de laatste bekoring waaraan het haar nog ontbrak, de bekoring van het verwelken van haar schoonheid in volle bloei en op haar stralend hoogtepunt’ – en juist terwijl ze in dit Venetië wachten op het schip dat hun verder moet brengen begeeft Insarovs gezondheid het toch en blijft Jelena alleen achter.

Het is vaker opgemerkt dat de romans van Toergenjev grote gelijkenis met elkaar vertonen. In Roedin, Een adelsnest en Aan de vooravond is dit erg duidelijk: een min of meer vreemde doet zijn intrede bij adel op het land; hij wint het hart van de dochter des huizes en zet daarmee een of meerdere al aanwezige mededingers naar haar hand een hak; uiteindelijk loopt het op niets uit. Het is in de wijze waarop dit laatste gebeurt dat de genoemde romans zich van elkaar onderscheiden, en zelfs een bepaalde verschuiving laten zien waardoor ze ook kunnen worden begrepen als een trilogie. Roedin laat zich direct afschrikken wanneer er (maatschappelijke) obstakels opdoemen: Natalja is bereid zich geheel te geven, met alle consequenties van dien, maar Roedin is te bang om consequent naar zijn verbaal beleden idealen te handelen. Voor Lavretski en Liza is dit anders: Liza breekt na zacht aandringen van Lavretski en tegen de wens van haar moeder met Pansjin. De terugkeer van Lavretski’s vrouw is geen ‘externe’ belemmering zoals de afkeuring van Natalja’s moeder was: Liza’s vroomheid zette haar er van het begin af toe aan Lavretski aan te sporen zijn vrouw te vergeven, zich met haar te verzoenen. Pas de dood van Lavretski’s vrouw maakte hun liefde überhaupt mogelijk, en nu ze terug is zijn het Liza’s eigen overtuigingen die het einde noodzaken. Pas met Insarov en Jelena rijmen liefde en overtuiging, en zij krijgen elkaar dan ook daadwerkelijk – al is het kort. Jelena is bereid zich te geven op een manier die doet denken aan hoe Natalja zich wilde geven aan Roedin, wat een breuk met haar familie en zelfs land impliceert. Opnieuw loopt het echter mis: nu de geliefden zich beide volledig willen en kunnen geven, is het de dood die in de weg staat.

Het absolute meesterwerk van Toergenjev is zonder twijfel Vaders en zonen (1862). Wat opbouw en verwikkelingen betreft breekt dit boek met Toergenjevs eerste drie romans: niet langer is het alleen een liefdesgeschiedenis die centraal staat. Na de afronding van zijn studie keert Arkadi Kirsanov terug naar het landgoed van zijn vader Nikolaj, waar ook zijn oom Pavel woont, en neemt daarbij zijn studievriend Jevgeni Bazarov mee. Bazarov en de sterk door hem beïnvloede Arkadi noemen zichzelf ‘nihilisten’. Zoals Arkadi aan zijn vader en oom uitlegt: ‘Een nihilist is iemand die voor geen enkele autoriteit buigt, die geen enkel principe voor waar aanneemt, hoeveel achting dat principe ook geniet.’ Ze geloven niet in idealen of principes, maar zijn materialisten: ze erkennen alleen dat wat concreet kan worden waargenomen. Dit botst met de liberale, idealistische principes van Nikolaj en Pavel; vooral tussen Bazarov en Pavel lopen hierdoor de spanningen algauw op.

Na een mislukt avontuur op het landgoed van een dame, Anna Odintsova, voor wie Bazarov tegen zijn overtuigingen en wil in amoureuze gevoelens ontwikkelt, maakt hij teruggekeerd op het landgoed van de Kirsanovs het dienstmeisje Fenetsjka het hof, terwijl zij samen met Nikolaj een kind heeft. Als Pavel dit doorkrijgt komt het tot een duel tussen hem en Bazarov: Pavel raakt gewond, en Bazarov vlucht weg naar zijn ouders. Daar staat hij zijn vader bij met diens dilettantische dokterswerkzaamheden. Bij een autopsie op het lijk van een tyfuspatiënt raakt Bazarov zelf besmet, en sterft. Arkadi vergaat het ondertussen beter: na aanvankelijk ook vooral geïnteresseerd te zijn geweest in Anna Odintsova, is hij inmiddels verliefd geworden op haar jongere zusje Katja en trouwt haar.

Het generatieconflict dat zo’n grote rol speelt in Vaders en zonen en waarnaar de titel al verwijst, wordt niet alleen intellectueel voorgesteld, maar krijgt van Toergenjev ook de nodige emotionele diepte mee. Schitterend laat hij zien hoe de relatie tussen vader Nikolaj en zoon Arkadi, terwijl tussen beide oprechte liefde en blijdschap om het weerzien bestaat, op de proef wordt gesteld door de sterke en uitgesproken karakters van Bazarov en Pavel: vader en zoon worden als het ware uit elkaar gedreven door de spanning tussen hun ideologische verwanten. Maar er is meer: Bazarov die worstelt met en gefrustreerd raakt door de blijkbaar onbeheersbare hartstochten en verlangens die bij hem worden opgeroepen door Anna Odintsova; de niet geheel geslaagde poging van de ouders van Bazarov om hun volledig onsentimentele zoon niet weg te jagen met hun overvloed aan ouderlijke liefde; het langzame losraken van Arkadi van zijn ideologische voorbeeld Bazarov – Toergenjev omschrijft het terughoudend, subtiel, maar met grote kracht en inzicht.

De laatste in deze bundeling opgenomen roman, Rook (1867), draait om de brave landheer Litvinov die na buitenlandse studies, op de terugweg naar Rusland, een tussenstop maakt in Baden-Baden. Terwijl hij daar op zijn verloofde Tatjana wacht, ontmoet hij zijn jeugdliefde Irina, inmiddels een getrouwde mondaine dame. Litvinov verzet zich nog tegen haar toenaderingspogingen, maar raakt dan toch verliefd op haar. Zij zegt bereid te zijn haar leven achter te laten en met Litvinov verder te gaan, waarop Litvinov met de inmiddels gearriveerde Tatjana breekt. Irina bedenkt zich echter, waarna Litvinov gedesillusioneerd en alleen Baden-Baden verlaat.

Misschien wel meer dan het verhaal van Litvinov is Rook een satirische weergave van de Russische bewoners van Baden-Baden. Toergenjev portretteert met evenveel spot twee groepen: de rijke leden van de adel rondom Irina die vooral als arrogant en leeg naar voren komen, en de linkse slavofielen wiens gepraat over de Russische volksaard al even hol is. Mede bij monde van het bijfiguur Potoegin geeft Toergenjev de ruimte aan zijn spottende, ironische karakterschetsen: waar in zijn andere romans dit soort typeringen meestal beperkt blijven tot enkele bijfiguren, maken ze hier een veel groter deel uit van de vertelling. En dit soort spot is een specialiteit van Toergenjev:

Pisjtsjalkin, de goedbedoelende vredesarbiter, kwam langs en bleef een uurtje of drie zitten. Hij praatte, redeneerde, stelde vragen, had het beurtelings over verheven en nuttige onderwerpen en bracht ten slotte zo’n verveling teweeg dat de arme Litvinov het bijna uitbrulde. In de kunst van het opwekken van verveling, mistroostige, kille, uitzichtloze en hopeloze verveling, kende Pisjtsjalkin zijn gelijke niet, zelfs niet onder mensen van opperste deugdzaamheid, die erkende meesters zijn op dat gebied.

Toergenjev wordt nog weleens in de schaduw gesteld van de grote Tolstoj en Dostojevski – waarboven dan nog Poesjkin wordt geplaatst – als het gaat om de negentiende-eeuwse Russische literatuur. ‘Spirituele crises uitmondend in loutering en inzicht, de vraag naar goed en kwaad of naar de zin en betekenis van het bestaan, de ambitie stemmen en levensverhalen te vervlechten tot een groot epos – dat alles ontbreekt bij Toergenjev. Hij mist de trotse overtuiging en de bekeringsdrang van Tolstoj, het pathos en de spirituele verscheurdheid van Dostojevski, en het hoeft dan ook niet te verbazen dat zijn werk in de ogen van moderne lezers beperkter is van reikwijdte en belang,’ schrijft Froukje Slofstra in het nawoord bij haar vertaling. Inderdaad schreef Toergenjev beknopte romans met een tamelijk simpele verhaallijn – waarbij sommige van die romans ook nog eens sterk op elkaar lijken – waarin het niet gaat om grote ideeën of gebaren. Maar dat betekent niet dat de ‘moderne’ lezer hier niets te zoeken heeft.

Toergenjev is een meester in het portretteren van zijn personages: soms bijtend en ironisch, maar altijd met groot inzicht in hun gevoelsleven. Niet zelden geeft Toergenjev bij de introductie van een figuur een uitgebreide voorgeschiedenis – waarin hij soms doorschiet: zo loopt de geschiedenis van Lavretski via zijn overgrootvader, grootvader en vader – die moet dienen om hun karakter inzichtelijk te maken. Maar ook zonder deze inkadering zijn de personages, zelfs als ze in bepaalde aspecten clichématig zijn, overtuigend qua karakter en emoties. Toergenjevs romans gaan niet over grote maatschappelijke thema’s of existentiële vraagstukken, maar over het rijke gevoelsleven van mensen die het geluk menen te kunnen grijpen – en dan vaak net misgrijpen. Hierin bereikt Toergenjevs werk een tijdloze kwaliteit, waarmee hij zijn plaats in de Russische Bibliotheek meer dan verdient.

Remco Nieberg

I.S. Toergenjev – Romans. Uit het Russisch vertaald en van nawoord voorzien door Froukje Slofstra. Van Oorschot, Amsterdam. 981 blz. €50,00

5

Reacties