‘Op de vlucht naar wie wij zijn’

In Vluchthaven van Anne van den Dool reist de hoofdpersoon Hannah naar Indonesië, het geboorteland van haar stiefopa, om zijn as uit te strooien (‘ik bedoel natuurlijk: waar hij verspreid wil worden; ik wil het woord uitstrooien niet gebruiken, te to the point, te visueel, te definitief’). Vanaf het moment dat ze de vluchthaven verlaat, slaat de onzekerheid toe. Terwijl ze angstvallig de grote envelop met as bewaakt, lukt het haar niet zich thuis te voelen en een geschikte plek te vinden voor haar opa. In de roman klinkt een eigenzinnige stem, die regelmatig ontroert, kritisch taboes doorbreekt, kwetsbaarheid verdedigt en weigert mensen in hokjes te plaatsen. De veelkleurigheid van deze stem lijkt soms wat verloren te gaan in wat je een gebrek aan eenheid van handeling kunt noemen, en toch brengt zij inzicht.

Er loopt wel degelijk een rode draad door het boek, namelijk die van de kleindochter die een geschikte plek zoekt voor de as van haar opa. De titel Vluchthaven is goed gekozen: een haven is een plek die veiligheid suggereert; vluchten is weggaan van de plek waar je bent. De titel past zowel bij opa als bij Hannah. De grootmoeder van Hannah is hertrouwd met een Indonesische man die getraumatiseerd is door het jappenkamp. Hun huis staat vol herinneringen aan zijn geboorteland, de ‘haven’ waarin hij zich ooit thuis voelde. Toch lijkt het alsof ook hij op de vlucht was, voor zichzelf. Hannah heeft een bijzondere band met hem, maar heeft het gevoel dat ze daar geen recht op heeft, omdat hij niet haar biologische opa is. Terwijl zij zijn as terug wil brengen naar zijn ‘thuis’, moet zij weg van haar eigen thuis, maar terwijl zij hem probeert te begrijpen, komt zij zichzelf tegen.

Sterk vind ik haar onomwonden, haast taboedoorbrekende kritiek op het toerisme dat een groot spoor van vernietiging achterlaat op al die geliefde reisbestemmingen: de vanzelfsprekendheid waarmee mensen rondlopen in precies dezelfde luxe, vaak in precies dezelfde winkelketens die ze in hun eigen stad ook hadden kunnen vinden, daarmee hun enorme ecologische voetafdruk negerend. En passant geeft ze een vijf bladzijden lange, treffende en kritische beschrijving van haar eigen generatie, geboren rond de millenniumwissel, en vraagt zich af of zijzelf ook drijft ‘op het luchtbed van nooit genoeg.’ Het roept tevens de vraag op in hoeverre je eigenschappen kunt toedichten aan complete generaties.

Nog sterker vind ik haar scherpe kritiek op wat een gouden regel lijkt in de literatuur, met betrekking tot de liefde: ‘Liefde is er om verbrijzeld te worden, als straf voor naïviteit.’ Niet alleen in de literatuur, maar ook in het echte leven lijken mensen een hekel te hebben aan trouw, en allergisch te zijn voor sleur. Dwars tegen deze regel in beschrijft Hannah de liefde van haar grootouders:

Hun liefde is een tegenovergestelde: een verbond dat standhoudt te midden van al dat gestop en getwijfel. Een spel dat op het scherpst van de snede wordt gespeeld, en juist daardoor nooit verveelt. Een spel dat bol staat van de compromissen, en daarmee de ultieme blijk van overgave is.

Hannah beschrijft ondertussen haar onderzoek naar geluk in de literatuur, dat daardoor een zelfstandige laag in het boek wordt. Al deze beschouwingen lijken de hoofdhandeling van de zoektocht naar een geschikte uitstrooiplek te onderbreken. Voor een roman zijn het misschien net iets te veel verschillende beschouwingen, haast genoeg voor een essaybundel. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat Hannah met al deze beschouwingen een ware ‘vluchthaven’ heeft geschapen. Het is namelijk opvallend hoe vaak zij aangeeft dat zij niets voelt, omdat haar denken het gevoel in de weg staat. Op alle belangrijke momenten – aan het sterfbed van haar opa, tijdens haar toespraak op de crematie, bij haar zoektocht naar een geschikte plek voor de as – leggen haar gedachten haar gevoel lam. Al denkend vlucht ze weg van haar gevoel. Tegelijkertijd komt ze er al beschouwend achter hoe complex haar wezen is, en niet alleen haar eigen wezen, ook dat van haar opa en de mensen om haar heen. Juist de ambivalentie, de twijfel, de voortdurende onzekerheid maken wie zij is, haar thuishaven.

Zo is misschien wat op het eerste gezicht een gebrek aan eenheid van handeling lijkt, juist wel de essentie van deze roman, een ware spiegel voor de mens in het algemeen: wij zijn wat wij denken, wat wij hopen en voelen, in een steeds veranderende stroom, en misschien is het een misvatting dat wij waar dan ook exact onszelf of de ander kunnen vinden: ‘Want daar waar we naartoe gaan, daar vinden we onszelf – een veronderstelling die impliceert dat er een coherent zelf is dat gevonden kan worden, en dat dat wenselijk is, dat dat het makkelijker maakt door het leven te gaan. Zonder onszelf weten we niet hoe we dit bestaan moeten doorkomen.’ Zo blijven wij vluchten en tegelijkertijd zoeken naar onze haven.

Dietske Geerlings

Anne van den Dool – Vluchthaven. Querido, Amsterdam. 304 blz. € 20,00.

4