‘Drie wrede grenzen houden ons gescheiden’

De ontstaansgeschiedenis van Het schriftje uit Bor, een verzameling gedichten die de Joods-Hongaarse dichter Miklós Radnóti (1909-1944) aan het einde van zijn leven in gruwelijke omstandigheden op papier zette, is hoogst opmerkelijk. Als er bij poëzie ‘iets op het spel moet staan’, zoals vaak wordt beweerd, dan bent u bij Radnóti zeker aan het goede adres. Wanneer iemand in de duisternis, op een brits in een vernietigingskamp, en tijdens een dodentocht de drang voelt om gedichten op papier te zetten, en zijn scheppingsdrang haast laat voorgaan op zijn overlevingsinstinct, dan moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn. Wie zijn hemd ruilt voor enkele ruitjesschriften, schrijft geen vrijblijvende literatuur.

Miklós Radnóti groeide op in Boedapest, in een seculier, volledig geassimileerd Joods milieu. Aan de universiteit studeerde hij Hongaars en Frans, hij vertaalde veel poëzie (onder andere van Apollinaire en Rimbaud) en maakte al redelijk snel naam als getalenteerd dichter. Hij voelde zich altijd in de eerste plaats Hongaar en zou zich in 1943 tot het katholicisme beweren, maar zoals geweten hechtten nazi’s daar weinig belang aan. Onder het antisemitische Hongaarse regime werd hij, zoals alle Joodse mannen, niet toegelaten in het leger, maar wel opgeroepen voor arbeidsdienst. In de praktijk betekende dat dwangarbeid in erbarmelijke omstandigheden. Na de bezetting van Hongarije door nazi-Duitsland in maart 1944 werd hij naar de kopermijnen van het Servische Bor gestuurd. Toen het Rode Leger naderde, werd het kamp ontruimd en moesten de gevangenen te voet verder. Zoals iedereen die uitgeput neerzeeg, werd hij tijdens die dodenmars geëxecuteerd. Toen zijn lichaam na de oorlog werd opgegraven uit een massagraf, vond men het document dat nu bekendstaat als ‘het schriftje uit Bor’.

Veel gedichten stonden er uiteindelijk niet in Radnóti’s schriftje, maar ze hebben een grote intensiteit, en als lezer kijk je toch anders naar zo’n tekst als je weet in welke omstandigheden die aan het papier is toevertrouwd. Neem bijvoorbeeld ‘Fragment’, en merk op hoe hij in de verleden tijd over zichzelf schrijft, alsof hij eigenlijk al dood was:

Ik leefde op de aarde in een tijd
waarin de mens, ontaard, niet enkel doodde
in opdracht, maar vrijwillig, uit genot;
een waangedachte dreef hem, en doorvlocht
zijn leven met uitzinnig zelfbedrog.

Radnóti schreef geen hermetische, maar juist heel concrete, helder verwoorde gedichten. Dat is geen waardeoordeel, gewoon een vaststelling: het is alsof de rauwe realiteit van het kamp geen krullendraaierij of gewoon maar esthetiserend taalgebruik verdraagt. Tot een gelijkaardige vaststelling komt ook Arnon Grunberg in zijn nawoord, waarin hij verwijst naar Radnóti’s eenvoud van stijl: ‘Het ontregelen van de taal heeft vooral of misschien wel alleen daar zin waar die taal naar een werkelijkheid verwijst die de lezer al te bekend zal voorkomen. Waar de werkelijkheid zelf ontregeld is, lijkt de taal van de schrijver zichzelf dienstbaar op te moeten stellen. Wat niet betekent dat we niet met literatuur te maken zouden hebben. […] De vorm is geen verpakking. En een zogenoemd uitbundige stijl is net zo goed stijl als sobere stijl. Ook als het gaat om het werk van ter dood veroordeelden zijn vorm, stijl en inhoud niet van elkaar te scheiden.’

Daar kunnen we natuurlijk alleen maar mee instemmen. Zie bijvoorbeeld hoe die sobere, onsentimentele stijl in ‘Brief aan mijn vrouw’ de wanhoop uitdrukt van een man die zijn grote liefde aanroept, de Joodse Fanni Gyarmati, die kon onderduiken, de oorlog overleefde en deze regels onder ogen kreeg:

Teruggeworpen in die bron,//
vraag ik jaloers: ‘Hou je nog wel van mij?’,
net als toen ik zo jong was, en: ‘Word jij
later mijn vrouw?’ Weer hoop ik dat – beseffend
dat zekerheid dat pad al heeft geëffend:
jij bent mijn vrouw, mijn vriend, maar ver van mij, en
drie wrede grenzen houden ons gescheiden.
het najaar komt. Verlaat het najaar mij,
dan staat jouw kus mij des te scherper bij.

Met het gedicht ‘A la recherche…’ verwijst de francofiele Radnóti, die in de jaren dertig een tijdje in Parijs verbleef, natuurlijk ondubbelzinnig naar Proust en gaat hij ook op zoek naar een ‘verloren tijd’, zij het dat dat bij hem dan ook werkelijk de enige tijd is die hem nog rest. Een toekomst heeft hij immers niet meer, die is verdampt in ‘vergrendelde veewagons’:

Waar is die nacht nu gebleven? Nee nooit komt die nacht nog
terug,
want wat er was, is alleen nog te zien in het licht van de dood.

Variatie zit er meer dan genoeg in deze bundel. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer Radnóti in ‘Achtste ecloge’ afwisselend ‘de dichter’ en ‘de profeet’ laat spreken in een apocalyptische Bijbeltaal die zeer toepasselijk is voor de storm die over Europa raasde. Of neem nu Dwangmars, een gedicht dat staccato voortstrompelt op het hortende ritme van de dodenmars:

Natuurlijk kan een dichter ook een volstrekt banaal leven leidden, of toch tenminste van buitenaf gezien, en toch grootste poëzie schrijven, zoals de kantoorklerk Pessoa, die niet bepaald veel opzienbarends heeft meegemaakt in Lissabon. Toch lijkt me dat eerder uitzonderlijk en mis ik in hedendaagse poëzie vaak de urgentie (wat wordt dat woord vaak misbruikt) die ik bij Miklós Radnóti wel aantref. Of anders gezegd: first world problems hebben nog niet veel uitzonderlijke gedichten voortgebracht. Die zult u in Het schriftje uit Bor niet aantreffen, en voor wie naar meer verlangt is er het heugelijke nieuws dat ook een vertaling van Radnóti’s bundel Schuimbekkende lucht wordt voorbereid.

Daan Pieters

Miklós Radnóti – Het schriftje uit Bor. Uit het Hongaars vertaald door Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Met een nawoord van Arnon Grunberg. Van Oorschot, Amsterdam. 64 blz. € 17,50.