Drie lezingen om wraak te nemen op zijn critici

,,Schrijf mij ook flink slordig zóó als ’t opkomt in je hart. Ik geef er ook niet om of de zinnen rondloopen — gekheid. ’t Hart heeft geen grammaire — houd me in godsnaam niet voor ’n schoolmeester.”

Met instemming worden deze woorden van Multatuli geciteerd in Een dasspeld uit Toela, de nieuwe essaybundel van Maarten ’t Hart. Het feit dat Multatuli niet schrijft: „Het hart heeft geen grammaire”, maar: „’t Hart heeft geen grammaire,” werd door Maarten ’t Hart vast niet over het hoofd gezien. Deze coïncidentie is te mooi om waar te zijn, en ’t Hart gooit er dan ook nog een schepje bovenop door eraan toe te voegen: „Mij zijn dat soort uitlatingen uit het hart gegrepen.”

Grappig genoeg is deze zin een bevestiging van de opmerking van Multatuli, want in correct Nederlands zou die moeten luiden: „Mij is dat soort uitlatingen uit het hart gegrepen.”

Het gaat in ‘Schrijven is ontucht’, het stuk waarin het citaat van Multatuli voorkomt, over de onmogelijkheid om bindende uitspraken te doen over stijl.

Met haast achteloze stelligheid beweren critici: dit is goed geschreven […], dit is slecht geschreven […]. Het lijkt erop of degenen die zulke uitspraken doen onfeilbare instrumenten bij de hand hebben om de stilistische kwaliteiten van een tekst te meten. Niettemin bestaat er in de literatuur geen enkele galvanometer of unster om stijlniveau te bepalen […].

‘Schrijven is ontucht’ was Maarten ’t Harts derde Albert Verwey-lezing, die op 17 november 1989 werd gehouden in de Pieterskerk in Leiden. Ook de daaraan voorafgaande lezingen, ‘De opmars der neerlandici’ en ‘De minst bedeelden onder ons’, werden in Een dasspeld uit Toela opgenomen, ’t Hart hield de lezingen in het kader van zijn gastschrijverschap aan de Rijksuniversiteit van Leiden.

Eigenlijk zijn de drie lezingen in drie woorden samen te vatten: critici deugen niet. ’t Hart heeft een enorme omhaal van woorden nodig om aanvankelijk de toehoorder en nu de lezer tot die conclusie te leiden. Hij had bij het afdrukken van zijn teksten op zijn minst de vele herhalingen — die in een redevoering misschien nog functioneel zijn — kunnen schrappen. ’De opmars der neerlandici’ begint met een uitvoerige verhandeling over de exacte wetenschappen. Een leek moet maar geloven wat de natuurkunde beweert:

Wie iets wil afweten van de hedendaagse natuurwetenschap kan daarover wel een goed boek lezen, maar niets wat daarin staat kan hij uit eigen ervaring bevestigen. Hij kan slechts, zo hij al begrijpt wat hij leest, gelovig aanvaarden wat er staat.

’t Hart betoogt dan wetenschappelijke uitspraken hoogst zelden op hun juistheid worden onderzocht door de experimenten die eraan ten grondslag lagen te herhalen. „Als er al onderzoek gedupliceerd wordt, dan is de uitkomst van die herhaling altijd anders dan het resultaat van het oorspronkelijke onderzoek.” Bèta’s zijn niet te beroerd om het resultaat van hun onderzoek in de gewenste richting te sturen, en volgens ’t Hart hoef je „niet eens te sjoemelen om toch wat te kunnen foezelen.”

„Nee, dan die zogenaamd zo barre wereld zonder galvanometers. Hoe weldadig simpel, vergeleken met de natuurwetenschap, is de wereld der schone letteren,” aldus Maarten ’t Hart, die de tekst zoals die wordt voortgebracht door schrijver, dichter, essayist vergelijkt met het experiment in de natuurwetenschap. Uitspraken over een tekst zijn, met die tekst in de hand, altijd verifieerbaar. ’t Hart wijst op de paradox:

Bèta’s zijn er trots op dat zij echte wetenschap bedrijven en kijken neer op alpha’s die niet eens over galvanometers beschikken en toch is het in de praktijk zo dat wat fysici beweren nauwelijks, wat universitaire literatoren beweren heel goed verifieerbaar is.

Maar over deze academische bemoeienis met de literatuur is Maarten ’t Hart helemaal niet zo te spreken. Hij constateert dat de kritiek vrijwel geheel in handen is gevallen van neerlandici. Ook schrijvers zouden in toenemende mate over een universitaire opleiding beschikken. Het gevolg is dat er „voor de amateur-lezer geen plaats meer in de herberg van de literatuur [is]. Je moet er op zijn minst voor gestudeerd hebben om erover mee te praten.”

’t Hart vreest dat de neerlandistiek net zo’n gesloten wereld wordt als de natuurwetenschap. Nou en? Laat die neerlandici zich lekker over eikaars teksten buigen. Ik snap eerlijk gezegd niet zo goed waar Maarten ’t Hart zich vele tientallen bladzijden lang druk om maakt. Het lijkt erop dat de drie Albert Verwey-lezingen slechts bedoeld zijn om wraak te nemen op de critici die het werk van ’t Hart niet altijd even vriendelijk hebben ontvangen. Zo heeft hij vaak opmerkingen moeten incasseren over zijn slordige stijl. In zijn tweede lezing laat hij met kennelijk genoegen zien hoe critici soms volkomen de plank misslaan: ze boren een boek de grond in dat vijftig jaar later klassiek blijkt te zijn, of ze prijzen een boek de hemel in dat na een jaar totaal vergeten is.

„Critici zijn gedoemd om te falen,” concludeert ’t Hart. In de derde lezing toont hij de hachelijkheid aan van het doen van uitspraken over iemands stijl. De lezingen (die ongeveer een kwart van het boek beslaan, voor het overige bevat Een dasspeld uit Toela essays over Mensje van Keulen, F.B. Hotz, Bordewijk, Maarten Biesheuvel en Multatuli) staan bol van de voorbeelden en citaten die het gelijk van de schrijver moeten aantonen. Maar echt overtuigend is het allemaal niet. Je leest het en je haalt je schouders op. Je stoort je aan de vele herhalingen.

Vroeger kon ’t Hart nog wel eens lekker tegen iemand uitvaren. Ook toen was het niet altijd overtuigend wat hij beweerde, maar onderhoudend was het wel. Misschien heeft Maarten ’t Hart het vermogen verloren om zich hartstochtelijk boos te maken. Dat is jammer.

Frank van Dijl

Maarten ’t Hart – Een dasspeld uit Toela. Essays. De Arbeiderspers.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in Algemeen Dagblad, 20 september 1990.

2