Giancarlo Guerrero komt uit Nicaragua. Zijn zwarte haren, pak en schoenen glimmen als hij de bok voor het Chicago Symphony Orchestra bestijgt. Met grote handen en grote gebaren graait hij Piazzolla en Beethoven uit het orkest, smijt ze subliem in de zaal. Hij grijnst, grimast, glundert. Giancarlo siddert, de lucht zindert. Hij is een man in alles, een leider van brons. Tot de strijkstokken staken, de muziek is opgelost, en het gezicht van de maestro achter een mondmasker wordt verborgen.

5