Een detective zonder dat je er erg in hebt

Hugo Claus is de derde Vlaamse auteur die een Nederlands Boekenweekgeschenk schreef. Zijn novelle De zwaardvis verschijnt aan het begin van de Boekenweek [1989] in de recordoplage van vijfhonderdveertigduizend exemplaren, waarmee voor het eerst in de geschiedenis van het Boekenweekgeschenk de magische grens van het half miljoen wordt gepasseerd. Maarten Biesheuvel haalde met Een overtollig mens [in het jaar ervoor] vierhonderdnegentigduizend exemplaren.

Het grote vertrouwen van de Nederlandse boekverkopers in Hugo Claus heeft natuurlijk alles te maken met zijn al veertig jaar omspannende schrijverscarrière. Al in 1950 verscheen zijn eerste succesroman De Metsiers. In de jaren daarna onderscheidde Claus zich behalve als romancier als dichter en toneelschrijver. Daarnaast manifesteerde hij zich als filmer en schilder, en dit alles achtereenvolgens te Gent, Parijs, Rome en Gent. Zo onbekrompen als zijn levenswandel is zijn oeuvre, dat bestaat uit vlotte damesbladromans (Het jaar van de kreeft), klassieke drama’s, vurige liefdesgedichten — ernst en lichtvoetigheid wisselen elkaar af. Eigenlijk is de essayistiek het enige terrein dat hij nooit heeft betreden, of men zou zijn Karel Appel, schilder een poging daartoe moeten noemen. Zijn magnum opus is Het verdriet van België, thans bij De Bezige Bij verschenen als goedkope paperback.

In dit veelomvattende oeuvre neemt De zwaardvis met zijn vijfennegentig bladzijden natuurlijk slechts een bescheiden plaats in, maar dat betekent niet dat de schrijver er zich gemakkelijk van af heeft gemaakt. Het is moeilijk te zeggen wat ’typisch Claus’ is — daarvoor vertoont het werk van Hugo Claus te veel kameleontische trekken. Wel keert een aantal elementen uit eerdere boeken hier terug: de verhouding moeder-kind, hartstocht en verlangen, menselijk verval, de mystiek van het geloof en het lijden, de dood.

Het verhaal draait om vier mensen, zonder dat een van hen de hoofdpersoon is. De aan lager wal geraakte veearts Richard, die in de omgebouwde boerderij van Sibylle Verhegge klusjes doet (maar de helft van de tijd tussen de struiken zijn roes uitslaapt), lijkt in eerste instantie zelfs niet meer dan een bijfiguur te zijn. Pas aan het eind blijkt dat dit niet het geval is.

Hugo Claus heeft het boek opgebouwd als een detectiveroman: de lezer komt steeds meer te weten, zonder dat hem al vanaf het begin duidelijk is dat hij inderdaad in een detective bezig is. Sibylle Verhegge is acht maanden geleden verlaten door haar man. Claus informeert ons wat de directe aanleiding was en suggereert dat er sprake was van een al langer slepend conflict, een botsing van karakters. Met haar zoontje Maarten is Sibylle in de echtelijke woning gebleven. Of Maarten zijn vader erg mist, weten we niet: hij spreekt nooit over hem, maar wel heeft hij een surrogaat gevonden in Jezus Christus. Opgevoed zonder geloof is Maarten op school de enige die niet de godsdienstlessen bijwoont, maar in plaats daarvan wordt onderwezen in maatschappijleer. Toch vangt hij op school iets op en de muzieklerares juffrouw Dora is er als de kippen bij om Maarten in te wijden in de geheimen van het geloof.

Dat heeft enige verstrekkende gevolgen: de jongen weet zijn vrije tijd niet beter te vullen dan met het door de tuin sjouwen van een houten kruis. Een rubberen bandje heeft de plaats ingenomen van de doorntakken en met pluizige wol wordt een kunstige imitatie van Jezus’ baard geleverd. Maarten waant zich ‘de eland’ zelve: Bijbelse termen zijn lastig. Zo spreekt Maarten ook van de berg Goliath. De meester van Maarten (de jongen noemt hem ‘meneer’, er is immers maar één Meester) is in stilte verliefd op Sibylle. Voor het jaarlijkse cultuurweekend ter stede heeft hij een declamatorium geschreven dat niet geheel toevallig ‘Cybele’ heet.

Richard, de aan de drank geraakte veearts, is eigenlijk een lamme goedzak. Tot op de laatste bladzijde anders blijkt. De verhouding met zijn moeder is voor Maarten enigszins problematisch: zij is immers niet van het ware geloof. Toch staat ze misschien meer toe dan goed voor Maarten is, behalve als haar eigen moeder, de moederfiguur in het kwadraat op bezoek is. Voor de gezelligheid hebben de vrouwen matses meegebracht. Als Maarten hoort dat dit het brood van de joden is, braakt hij het hysterisch uit, want met de joden wil hij niets te maken hebben, die hebben Jezus vermoord. Het is een ernstig geval van godsdienstwaan, maar het gaat waarschijnlijk wel over met de jaren.

Frank van Dijl

Hugo Claus – De zwaardvis. CPNB.

Eerder gepubliceerd in Het Vrije Volk, 6 maart 1989.

0