‘Wanneer de bouwsels instorten en zich weer oprichten, langzaam, in stilte’

De in Amerika geboren Franse schrijfster Leslie Kaplan ging in de jaren 1968-1970 als maoïstische militante in de fabriek werken. Daarna voelde zij de noodzaak deze ervaring vast te leggen en dat deed zij in Het exces – De fabriek, dat in 1982 verscheen, en nu in Nederlandse vertaling is verschenen. Er is veel over fabrieken geschreven, vaak in de betogende vorm, over de positie van de arbeider bijvoorbeeld, maar dat is niet wat Kaplan wilde, zegt zij later in het gesprek met Marguerite Duras, dat achter in het werk is opgenomen. Kaplans fabriek staat in een fictief oord, buiten de geschiedenis, en is buitensporig.

‘Men is erin, in de grote fabriekskosmos, die ademt in jouw plaats,’ staat op de eerste bladzijde van dit werk, dat volgens Maurice Blanchot ‘méér dan poëzie’ is. Dat kan betekenen dat het om willekeurig welke fabriek gaat, maar tegelijkertijd dat de fabriekskosmos jouw adem overneemt. Je bent van je persoonlijkheid ontdaan, je bent ‘men’ geworden. Bijzonder is dat in het Frans dit ‘men’ vrouwelijk is, omdat in sommige grammaticale posities het geslacht wordt aangegeven, wat in het Nederlandse niet mogelijk is, zoals ‘on est prise, on est tournée’, zoals de vertaler in het voorwoord aangeeft. Kaplan geeft in het gesprek met Duras aan dat het voor haar zeker is dat een vrouw dicht bij die ‘men’ staat. Zij noemt het ‘een soort gezichtspunt van de apathie’ en zij denkt dat deze misschien vrouwelijk is, ‘een opening’. Marguerite Duras noemt het vervolgens ‘het vermogen om te verduren’, die volgens haar zelfs de staat van het schrijven is.

De fabriek wordt in neutrale termen beschreven als een kosmos. Zelfs buiten de fabriek is men ‘erin’. Alles is de fabriek. Het werk is ingedeeld in negen kringen en deze kunnen haast niet anders dan verwijzen naar de negen kringen van Dantes ‘inferno’. De fabriek is een hel waar alle hoop is vervlogen. Zoals in de buitenste kringen van Dantes hel de mensen toeven die hun primaire behoeften niet kunnen matigen, zo is er in de tweede kring alle aandacht voor de wc’s, waarnaar men in de tien minuten pauze kan afdalen: ‘Ziek muurwater, men houdt er niet van.’

In deze pauze lijkt er even tijd voor bezinning, als men zichzelf bekijkt in een spiegeltje dat men heeft meegenomen: ‘Het gezicht is bleek, met strak achterovergekamd haar. / Men herinnert zich niet.’ Het individu wordt alsnog niet herkend. Men houdt het spiegeltje vast, met daarin het gezicht met de kringen van het slapen, ‘wanneer de bouwsels instorten en zich weer oprichten, langzaam, in stilte.’ Men blijft ‘men’. Ook als men naar buiten gaat, de straat oversteekt en ergens naar binnen gaat, tafels en banken ziet en een wasdoek: ‘Het doek heeft ruitjes, allemaal eender, en het riekt.’ Na een witregel staat eenzaam het woord ‘Kinderjaren’, alsof de geur toch een herinnering naar vroeger oproept, maar omdat er geen persoonlijke voornaamwoorden worden gebruikt, is het een collectieve herinnering.

De fabriek wordt getoond als gehavend, een ‘gewichtloos geraamte’, groot, maar tegelijkertijd in stukken en ontwricht. Overal ligt afval en viezigheid:

Er ligt doorweekt papier, weerzinwekkend, en plastic. De plastic
spullen zijn oud, afgedaan. Platen en eindjes. Een stuk of wat
deursloten slingeren er rond.

De roest is daar, raadselachtig.

Hoe langer je als lezer in de fabriek verblijft, hoe meer je jezelf verliest en deel wordt van de eenzame kosmos. De liefdeloosheid en het obsederende geweld van de herhaling doen denken aan concentratiekampen en terwijl je nog schrikt van die gedachte, want een fabriek is immers iets anders dan een concentratiekamp, staat daar: ‘Er zijn rails in de hemel. / De wagons rijden voorbij.’ En verderop: ‘Omheinde braakliggende terreinen. Men loopt.’ Vanaf dat moment lopen de rillingen over je rug. Waar ben je beland? Je realiseert je hoe excessief de omgeving is en hoe je warmte en genegenheid mist, maar vooral ook hoe ongemerkt je daar deel van bent gaan uitmaken: als er geen verschillen meer zijn, daalt het leven ‘loodrecht af’.

Waar is de bezieling gebleven, het warme verlangende lijf: ‘Ze is daar, op haar stoel. Jurk en trui, en daarover, de schort. / Het lichaam is eronder. Alles is er, alles.’ Het is ongelooflijk hoe Kaplan het wezen van de mens kan verschralen tot ‘iets’, terwijl je zo pijnlijk voelt wat ontbreekt. Ook al meen je soms iemand te ontwaren, deze wordt ontdaan van persoonlijkheid: ‘In de gang kruist men een jong Frans meisje. Het is een onaf / meisje. Ze duwt een karretje voort.’ Het meisje wordt tot iets wat eventueel nog afgemaakt zou kunnen worden, maar wat in elk geval onderdeel is van het fabricageproces van rijdende karretjes.

Wat schrijnt, is dat de mensen ondanks alles niet ontmenselijkt zijn, want men zit alleen tussen allen, en zoals er voorwerpen worden gemaakt, worden er ook kinderen gemaakt: ‘De baby is foeilelijk. Kleine grijze baby’. Fabrieksmensen brengen fabrieksmensen voort. De vijftig kinderen die in Auschwitz geboren en opgeleid zijn, zeiden ‘wir’ en geen ‘ich’, vertelt Duras in het tweegesprek met Kaplan. De fabriek is een oord waar de verschillen geen verschil maken, zegt Kaplan. De handeling die de hele tijd identiek is aan zichzelf, vernietigt het individu.

Dietske Geerlings

Leslie Kaplan – Het exces – De fabriek. Vertaling en voorwoord Jan H. Mysjkin. Vleugels, Bleiswijk. 144 blz. € 23,95.

De boeken van Vleugels zijn te koop in de betere boekhandel of direct bij de uitgeverij.

0