Het ziekzijn diende zich volgens de ‘salamitactiek’ (in dunne plakjes om geen woede te ontketenen) aan. Eerst de rauwe keel, daarna het snot, het hoesten, het suizen. Kleine ongemakken die eigenstandig overkomelijk zijn, maar in verenigd verband een spaak in de wielen van mijn dagelijkse motor vormen. Bij elk nieuw symptoom prikte ik een nieuwe wattenstok in de neusholte, testte het snotmonster. Telkens bleef het bij één streepje. Ik lig hulpeloos op de bank, en het is zonder enige betekenis.

2