Ineens lag de stad onder een laag sneeuw. Het menselijke onvermogen, de vuilige zonden, het wringende verleden, alles liefdevol toegedekt. Maar ook: de aarzelende bloesem van de kersenboom, de dunne viooltjes, het prille, tere leven in de knop gesmoord. Alsof de natuur van lieverlede vergeet goed voor zichzelf te zorgen en er het bijltje maar bij neergooit. Eerlijk gezegd kon ik haar geen ongelijk geven. Voor een ‘intelligente soort’ zijn mensen tamelijk hardleerse nestbevuilers waar geen kruid tegen gewassen is.

9