Vrij schrijven begint met verbieden

Voordat ik, zo’n dertig jaar geleden, als lerarenopleider aan de slag ging, heb ik een paar jaar les gegeven aan het Nienoordcollege in Leek (geen betere plaatsnaam om je schoolcarrière te beginnen) waar ik al tijdens mijn stage drie eindexamenklassen onder mijn hoede kreeg. Een van mijn collega’s werd Boris Wanders, die later nog een van initiators werd van het Technasium, maar dertig jaar terug vooral bezig was met poëzie, onder meer bij Doe Maar Dicht Maar.

Als je leerlingen zelf iets liet schrijven en hun poëzie serieus nam, dan konden de mooiste gedichten ontstaan. Ik leerde al snel dat je een paar zaken moest verbieden.

1 Verbied humor.
Het klinkt wat hard, maar vooral jongens hebben de neiging om een grapje op te schrijven, vooral iets met poep en pies of iets waarbij een medeleerling het slachtoffer is.
2 Verbied eindrijm.
We waren niet tegen rijm, maar mooi eindrijm is heel lastig. Wil je Sinterklaasrijm vermijden, dan is zo’n drastisch verbod noodzakelijk.
3 Verbied tevredenheid.
Niet alles is goed of mooi als je een gedicht schrijft. Leerlingen moeten leren dat je gedicht altijd beter kan worden. Laat een gedicht altijd door een ander becommentariëren. Zorg voor een herschrijfronde.

We werden als school uitgedaagd om tegen hen in het strijdperk te treden. In een plaatselijk hotel werd het landjuweel gehouden met een jury die de bijdragen van de rederijkers en onze leerlingen tegen elkaar zou afwegen. Het werd een memorabele avond, niet in het minst om te zien hoe de rederijkers, de meesten op de rand van het graf, hun grappige nietsigheden in sonnetjes hadden geperst, terwijl onze leerlingen er frisse en ontroerende vrije verzen tegenover zetten. We wonnen met overmacht en ik kreeg voor het eerst die typische lerarensensatie dat je trots kunt zijn op de prestaties van je eigen leerlingen.

Die trots voelde ik ook toen onze leerlingen meededen met Doe Maar Dicht Maar en op het toneel van een volle Stadsschouwburg opeens iemand werden. De deelnemers vormden een onderdeel van een groter geheel. Eerst kwam Gerrit Kouwenaar en daarna kwam een leerling en ze kregen allebei hetzelfde ovationele applaus, en zo wisselden beroemdheden en beginners elkaar de hele avond af.

Ik krijg weleens tranen in mijn ogen als ik de zoveelste methode of cursus tegenkom waarbij mensen een haiku of een elfje moeten schrijven en waarbij de leraar alleen maar lettergrepen zit te tellen. Dat zijn docenten die zelf nooit een dichtbundel kopen. Laten we voor ze bidden. Ik heb gezien hoe poëzie kan werken en ik heb gezien hoe leerlingen konden opbloeien.

Coen Peppelenbos

Deze column verscheen eerder op Neerlandistiek dat nu alweer 30 jaar bestaat. De vraag was: ‘Welk inzicht uit de neerlandistiek verdient bredere bekendheid? Wat zou eigenlijk iedereen moeten weten over de Nederlandse taal en/of cultuur? Of het nu een inzicht is dat je de ogen heeft geopend tijdens een college, iets dat je lang geleden hebt gelezen of iets dat je zelf hebt ontdekt – al die inzichten zijn van harte welkom.’

6