Dit is het tweede en laatste deel van een essay naar aanleiding van ‘Brief Uit Gosfield’ in Op weg naar het einde. Lees hier het eerste deel.

2.

Maar nu moeten we naar Gosfield. De afspraak is dat Reve de trein van 14.00 uur van Liverpool Street Station naar Braintree neemt, waar Perkin Walker hem zal afhalen. Ruim op tijd stapt Reve in Camden Town op de ondergrondse, voorzien van ‘mijn middenformaat koffer en mijn weekeindtas’ – dat wil zeggen, zonder koffer: ‘Die staat namelijk nog op het perron, dat zich met suizende snelheid al een halve mijl van ons verwijderd heeft.’

De schrijver werkt naar deze hilarische vaststelling toe met wat Hans van den Bergh een ‘detailopsomming’ zou noemen, waarin een ginfles en een wit plastic bekertje een belangrijke rol spelen:

bekertje leeg in mond, hopla, een mens is niet van steen, bekertje weg, tas dicht, nog geen trein, tas opnieuw open, fles weer opdiepen, ook bekertje, hup, wel moge het u bekomen, en ‘dat we nog lang voor elkaar gespaard mogen blijven’.

Ging het bij aankomst in Londen mis omdat Walker hem op het verkeerde perron stond op te wachten, nu is het zaak om zo snel mogelijk terug te keren naar Camden Town. Reve slaagt erin om de lezer deelgenoot te maken van het hele zenuwslopende proces dat zich in hem voltrekt vanaf het moment waarop hij vaststelt dat hijzelf en zijn ‘weekeindtas’ zich wel, maar zijn koffer zich niet aan boord van de ondergrondse bevindt die onderweg is naar het eerstvolgende station, Euston.

Een fractie van een seconde is het alleen nog maar een vaststelling – dan wordt het een overspoelende vloedgolf van Smart, die, zonderling genoeg, mij een hoog, neuriënd gebrom door de neus doet maken. Vervloekt weze de dag van mijn geboorte, nee, de nagedachtenis zelfs van mijn moeder die mij in haar duldzame lijf heeft rondgedragen. God, God, wat een lul, en het komt allemaal omdat ik me zo vaak ‘geestig’ heb aangesteld, en zo enorm leuk ben geweest, vooral ten koste van anderen, jawel.

Dan opnieuw een onvervalste opsomming van wat allemaal de oorzaak kan zijn geweest van dit falen (‘dat eeuwige geflirt van me, en van dat rond hoereren’), gevolgd door een beschrijving van wat er in de achtergelaten koffer zit, waaronder een ‘volle, nog ongeopende, hele fles Vat 69, ja, dat is wel zuur’ en Reves paspoort (‘erzonder kom ik het land niet levend meer uit’). Hierna komen de meer praktische gedachten: wat moet hij doen? 

Het loopt natuurlijk goed af: bij terugkeer op het station van Camden Town staat de koffer nog precies zo, ‘een beetje diagonaal, als ik hem 26 minuten geleden heb achtergelaten’. Het eindresultaat is ‘beschamend onspectaculair: eerst ik plus koffer, nu wéér ik plus koffer’. Nog even houdt Reve de spanning erin of hij de trein op Liverpool Street Station nog haalt, maar ‘waarachtig’, dat doet hij, ‘niet royaal, maar toch met een minuut of drie, vier speling’.

Al in ‘Brief Uit Camden Town’ merkte Reve op dat hij niet geschikt is om te reizen. Hij doet de nacht voor vertrek zelden een oog dicht en wordt bij het inpakken van de bagage en het klaarleggen van de reispapieren al half gek.

Ik kom dan ook onveranderlijk met holle ogen, tot het uiterste gespannen gelaatsspieren, en een samengesnoerde maag, op de plaats van bestemming aan: vandaar dat afhalers altijd vinden dat ik er ‘geweldig goed uitzie’.

3. 

Zodra de trein onderweg is, haalt Reve, om de zenuwen te sussen, de ginfles en het bekertje weer tevoorschijn, ‘want een kleine verversing heb ik toch zeker wel verdiend’. Als de fles leeg is (‘alweer een zorg minder’), schiet hem een versje te binnen:

Je zorgen en je narigheid / Die raak je in de kroeg niet kwijt / Al zit je er ook halve nachten / Je zorgen blijven buiten wachten.

Reve kende het uit de wijk van zijn jeugd, Tuindorp Watergraafsmeer, beter bekend als Betondorp, waar ‘bijna alleen maar socialisten en geheelonthouders’ woonden en ‘overal van die sierdingen van hout stonden met [dit soort] leuzen erop’. 

Hij moet hebben gedoeld op de ‘levensspreuk op kartonnen plaat met ophangkoord’, ‘ca 1930 in de stijl van de Amsterdamse School’  verspreid door het ‘Amsterdamsch Drankweercomité’, die ik na enig zoeken vind op Catawiki en die op 3 augustus 2016 voor vijftien euro werd geveild. De ‘levensspreuk’ is bij elkaar gerijmd door R.J. Zuidema, auteur van Beukenootjes, een uitgave ‘der Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken’ die nog meer van deze wijsheden bevat. Voor een tweede druk (1930) van dit werkje, waarvan de tweeëndertig pagina’s door nietjes worden bijeengehouden, werd op 21 maart 2022 op de website Boekwinkeltjes negen euro gevraagd. Exclusief verzendkosten, dat wel.

Zo zijn we – het is onvermijdelijk – teruggekomen op het onderwerp drank, want in het werk van Gerard Reve is de drank nooit ver weg. We moeten vaststellen dat de waarschuwingen tegen het gebruik van alcohol, die op de jongen die Reve in Betondorp was zo’n indruk maakten dat hij ze dertig jaar later nog woordelijk kan citeren, op hem weinig effect hebben gehad. 

In De Avonden komt Frits van Egters na een bezoek aan De Kring (of een sterk daarop gelijkende sociëteit) met Viktor, Jaap en Joosje zo dronken thuis dat zijn ouders hem liefdevol in bed moeten stoppen. Als ik het goed heb geturfd, nuttigde Frits die avond één sherry en negen jenevers. Sarcastisch vraagt zijn moeder, als hij de volgende ochtend met enige moeite is opgestaan: ‘Zo, heeft het jongetje gisteren plezier gehad?’

In ‘Brief uit Amsterdam’ wordt van de aanhangers van het Ware Geloof – dat, zoals we weten, ook helemaal niet duur is – gezegd dat ze op het gebied van ‘de alcohol […] de tolerantie zelf zijn, en jenever en echte, dure cognac naar binnen weten te klokken gelijk de Rus zijn wodka’.

Meteen na aankomst in Londen heeft Reve zijn gastheer Perkin Walker gevraagd om ‘de drankkast naast de vleugel op slot te doen, wat hij dan ook prompt heeft gedaan, de goeierd’. Walker ‘is trouwens dol op jenever, die hij, geloof ik, onmiddellijk volgend op cognac, het fijnste drinken op aarde vindt en waarvan hij, in Amsterdam, altijd een drinkglas vol als nachtmuts mee naar bed neemt’, zoals ons al eerder is meegedeeld.

In The Gunner’s Hut, zoals Walkers buitenplaats heet en waar Reve na de enerverende treinreis vanuit Londen heelhuids is aangekomen, staat ‘gelukkig’ de halve drankvoorraad van het huis op een dienblad in de vensterbank. Het enige andere levende wezen in de kamer is de kat Hermes ‘en die vindt het goed’: Reve overweegt een gin and French (een cocktail van een derde gin, een derde droge vermout en een derde tonic), besluit dan tot een gin zonder French en schenkt zich een wijnglas vol. ‘Het is overigens wel een kopstoot, dat hele glas ineens.’

Over het verblijf in Gosfield komen we verder niet veel te weten. Wel vernemen we dat Reve er eerder dat jaar ook heeft gelogeerd, toen hij vanuit Edinburgh onderweg was naar Amsterdam. Bij die gelegenheid ontfermde hij zich over het bijna doodgehongerde katje dat nu de gezond ogende Hermes is. Bijna vier bladzijden lang maakt de schrijver zich kwaad op Perkin Walker omdat deze zich niet over het dier heeft willen ontfermen. Hij toonde ook geen geestdrift toen Reve voorstelde om ermee naar de dierenarts te gaan, maar omdat hij toch met de auto naar Braintree moest, reed Reve ‘met poes in een doos onder de arm’ mee. Het consult kostte ‘slechts two and six (f 1,25), en Gerard weer blij de deur uit met poesje’. 

Het beestje moest van de dierenarts worden gevoed met afwisselend gekookt en rauw bloedrijk vlees en kleine hoeveelheden verdunde melk, maar Walker meende: ‘I shall certainly not give it what I eat’. Een oorlog, meldt Reve, werd ‘maar net, op een haarbreedte, gepasseerd.’ ‘Maar een raadsel blijft het voor me, en het is nog altijd iets dat me intrigeert, die slechtheid jegens dieren.’ Zou, zoals Reve veronderstelt, een ‘goede, zorgzame behandeling van een dier in strijd […] zijn met de waardigheid, en vooral het prestige, van de mens’? Hij komt tot de conclusie: ‘Maar wie slecht is voor dieren, kan nooit een goed mens zijn’.

Aan de vriendschap deed het voorlopig niets af. In 1981 droeg Gerard Reve zoals gezegd de korte roman De vierde man op aan Perkin Walker. Uiteindelijk raakte Walker toch uit de gratie, misschien, suggereert biograaf Nop Maas, omdat hij zich in het Tirade-nummer dat ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag geheel aan Reve was gewijd ,‘iets te kritisch’ over de jarige had uitgelaten.

Daniel Pickering Walker overleed in maart 1985.

Frank van Dijl

Dit is het tweede deel van het vierde verhaal van een serie over de brieven in Op weg naar het einde en Nader tot U. Lees hier het eerste deel.

Foto F.N. Broers / Anefo Nationaal Archief (28 november 1963).

Deze essays worden, voorzien van voetnoten en personenregister, in gelimiteerde oplage in boekvorm uitgegeven naar ontwerp van Huug Schipper van Studio Tint. Reeds verschenen: ‘Ik zou erg graag iets goeds schrijven’. Over ‘Brief Uit Edinburgh’ en ‘Brief Uit Amsterdam’ (uitverkocht), ‘Niets onmenselijks acht ik mij vreemd’. Over ‘Brief uit Camden Town’ en ‘Brief uit Gosfield’ (uitverkocht) en Ik leef voor anderen, dat is beslist een feit’. Over ‘Brief Uit Schrijversland (Modern Toerisme)’ en ‘Brief In Een Fles Gevonden’, te bestellen bij Uitgeverij Fragment à € 17,50.