Een viltje dat maar één keer plakt

‘Wees een autonome professional, maar doe wat je gezegd wordt. Wees kritisch, maar denk niet na’. Als Ese Jelles, de hoofdpersoon van Minke Douwesz’ nieuwe roman Het laatste voorjaar, de tegenstrijdige boodschappen in het onderwijs niet meer verdraagt, neemt ze ontslag en stapt ze op de fiets richting de Krim. De 53-jarige lesbische lerares Duits wil daar het huis van Tsjechov aan de Zwarte Zee bezoeken. Ze vlucht naar voren.

Het laatste voorjaar is een slow read. De hoofdpersoon is slecht ter been vanwege een mislukte heupdysplasie-operatie. De ziekte werd pas laat bij Ese ontdekt en beperkt haar liefde voor de natuur. Na de dood van haar vriendin Martie heeft ze hun gezamenlijke droom buiten te gaan wonen alleen verwezenlijkt. Ze woont in een vrijstaand huis met een grote tuin. Anders dan voor de hoofdpersonen in Buitenleven van Nina Polak is wonen in het groen voor Ese geen bedreigende teleurstelling. Zij heeft een ander probleem: door haar beperking is buiten nu vrijwel ontoegankelijk geworden omdat ze nog maar een paar honderd meter kan lopen zonder pijn. Eses verdriet en woede om de verwoesting van de natuur en haar rouw om Martie maken dat ze steeds meer moeite heeft mens te zijn.

Douwesz’ derde roman is klimaatroman, onderwijsroman en ontwikkelingsroman ineen. Net als Ese, die zichzelf als ‘scheef, traag en uit het lood’ omschrijft, beweegt het verhaal zich langzaam en enigszins haperend voort. Heel gestaag ontvouwt zich waarom de docente ontslag heeft genomen, ook haar liefdesgeschiedenis met Martie wordt niet als één verhaal verteld. De drie verhaallijnen – de fietstocht, Eses groeiende onvrede met het onderwijs, en haar relatie met Martie – doorsnijden elkaar en worden telkens onderbroken door bespiegelingen over heden (klimaat, politiek, neoliberalisme – zonder dat dat woord valt) en verleden (Eses strenge vader, haar studietijd) en gesprekken met haar zus Dora, een kerkelijke wetenschapster. ‘Ik ben zo’n stoelviltje dat maar één keer plakt,’ zegt Ese tegen haar zus als die wil weten waarom ze geen nieuwe relatie wil.

Eses overpeinzingen zijn soms heel gedetailleerd. Douwesz’ stijl is meermaals vergeleken met die van J.J. Voskuil en Frida Vogels, en dat is terecht. ‘In haar hardop verwoorde getob staat Minke Douwesz nog het dichtst bij Frida Vogels, maar de obsessieve drang om alles zo waarheidsgetrouw en toch zo afstandelijk mogelijk te registreren deelt ze ook met Voskuil en zijn voorbeeld Du Perron,’ schreef Jaap Goedegebuure in 2010 in een stuk over auteurs wier romans de ‘sarrende en tegelijk verslavende eentonigheid gemeen [hebben] met het werk van Voskuil en Vogels’ in Trouw.

Thomas de Veen beschuldigt in zijn twee ballen-recensie in NRC Douwesz’ nieuwe roman van ‘zelfgenoegzame bewegingsloosheid’. De passiviteit van de tekst ziet hij weerspiegeld in Eses traagheid en haar ‘stokkende binnenwereld’. Dat oordeel vind ik zeer onvolledig. Douwesz is stijlvast, en ook Het laatste voorjaar heeft de verslavende kwaliteit van Strikt (2003) en Weg (2009). Je wilt niet alleen weten of Ese het huis van Tsjechov bereikt, maar ook hoe haar impulsief achtergelaten leven nu eigenlijk in elkaar zat. Wat is er met Martie gebeurd en hoe verhoudt Ese zich als lesbische vrouw tegenover de rest van de maatschappij, en omgekeerd? In de loop van het verhaal komt naar voren dat lesbisch zijn binnenshuis heel leuk is (Ese en Martie hebben een gezellige en gelijkwaardige relatie met goede seks – wie wil dat nou niet?) en buitenshuis gecompliceerd. Als Martie overleden is, zegt Ese tegen haar leerlingen dat ze ‘niet-praktiserend homoseksueel’ is om niemand te kwetsen. Of is zij degene die bang is gekwetst te worden? Eses ouders zijn niet homofoob, maar ze hebben haar relatie nooit volledig geaccepteerd. Na Marties dood maakt haar vader pijnlijk ongepaste opmerkingen over het karakter van de geliefde van zijn dochter en speculeert hij over een mogelijke zelfmoord. Op reis laat Ese het geslacht van haar overleden partner in het midden, ook om niemand voor het hoofd te stoten.

‘Meine Geliebte ist auch schon gestorben,’ voegde ze in een opwelling toe.
(…)
Het kwam Ese goed uit dat het geslacht van haar overleden geliefde onbenoemd bleef. Zo bleef de keuze tusen haar partner verloochenen of de vriendelijke vrouw bruskeren haar bespaard.

Maar dat is dus niet zo. Omdat het Duits dat Ese en de mensen met wie ze praat vol fouten zit (had Van Oorschot geen germanist kunnen inhuren om het Duits te controleren?) is juist wel meteen duidelijk dat zij een relatie met een vrouw had als zij spreekt van ‘meine Geliebte’. Een mannelijke partner is ‘mein Geliebter’; aan de verbuiging is het geslacht te herkennen. Het Duits is onverbiddelijk, geen taal om je achter te verstoppen.

Ese is van mening dat ze zich als homoseksueel geen ‘dogmatische ideologie’ kan veroorloven. Bijna geen enkele samenleving accepteert homoseksuelen, aldus Ese. De haatcampagne tegen Pim Lammers laat zien hoe waar dat ook in Nederland anno 2023 nog is. ‘Het enige wat erop zat was je nuttig maken en niet te veel aandacht op jezelf vestigen.’ Docent is bij uitstek een dienstbaar beroep. De beoefenaars van het leraarsberoep hebben zo weinig aanzien dat ze zelden opvallen. Een queer auteur die inclusieve kinderboeken schrijft en zijn gedichten en verhalen op scholen voorleest, valt des te meer op.

‘Wat moet je doen als je toevallig lesbisch bent? Moet je dan maar een zak over je hoofd trekken en er een eind aan maken?’ zegt Minke Douwesz in een interview met Het Parool. ‘In mijn boeken laat ik zien dat je dan ook een betekenisvol leven kan leiden.’ Maar is dat wel zo? Ese krijgt op school niet de kans haar werk uit te voeren zoals zij, en veel academisch opgeleide docenten van haar leeftijd, wil. En is er in de verhaalwereld eigenlijk wel plaats voor een gelukkig lesbisch stel? Martie sterft jong en Ese stevent al fietsend op haar ongeluk af. Een andere interessante vraag is of Ese zich gedwongen voelt van nut te zijn omdat ze als lesbienne klaarblijkelijk iets moet compenseren en haar bestaansrecht moet verantwoorden of vanwege de invloed van haar christelijke opvoeding en haar streberige vader.

Ook op haar school kan de lerares, die ook werkt als roostermaker en af en toe wiskunde geeft omdat de leraren op zijn, zich weinig veroorloven. Ze wordt het slachtoffer van modieuze vernieuwingsdrang en destructief leiderschap. De directie huurt een externe consultant in die een ingewikkeld systeem van bijlessen voor leerlingen met minder goede cijfers en ‘pluslessen’ voor excellente leerlingen bedenkt dat de leraren moeten uitvoeren. De innovatie groeit uit tot een allesverslindend gedrocht. Een passend rooster maken lukt Ese niet meer omdat er zoveel leerlingen naar de extra lessen moeten dat de reguliere lessen, het eigenlijke onderwijs, in het gedrang komen.

Ese is genoodzaakt een belangrijk deel van haar werk – lessen voorbereiden en proefwerken corrigeren – thuis in de avonduren en het weekeinde te doen omdat ze zoveel moet vergaderen over het vernieuwingsproject. Bezwaar maken tegen de uitholling van het onderwijs mag niet en zelfs een ‘relativerend grapje’ maken wordt door de rector gezien als rebellie. De commercialisering van de bijlessen wordt gezien als een vanzelfsprekende consequentie van het ‘project Excelleren’. Meesterlijk laat Douwesz zien hoe hoogopgeleide professionals die zijn aangenomen om jongeren te onderwijzen en een bijdrage te leveren aan hun vorming tot mondige burgers als kleine kinderen behandeld worden die een standje krijgen als ze geen blinde gehoorzaamheid tonen, en uiteindelijk niet anders kunnen dan murw meedoen of vluchten.

Misschien ben ik niet geheel onbevooroordeeld – ik ben zelf een 53-jarige lesbische lerares Duits en Nederlands die in haar vrije tijd liever recensies schrijft dan toetsen nakijkt en ik ben een groot liefhebber van het werk van Voskuil en Vogels – maar ik vind Het laatste voorjaar een zeer geslaagde roman. In Trouw kondigde Douwesz aan dat ze het misschien wel bij het drieluik Strikt, Weg en Het laatste voorjaar zal laten. Ze wil ‘voorlopig lezen’. Ik hoop dat ze ook blijft schrijven.

Marie-José Klaver

Minke Douwesz – Het laatste voorjaar. Van Oorschot, Amsterdam. 333 blz. € 23,50.