Beangstigend

De korte roman Ik dacht dat jij van Joke van Leeuwen kan angst opwekken. Als lezer kruipen we namelijk in het hoofd van iemand waarmee iets mis is. Wat precies mis is, wordt niet expliciet benoemd, maar sowieso valt op dat de ik-figuur nauwelijks in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen daden. Het ligt altijd aan de ander, ook al vraag je je als lezer af: wat deed die ander verkeerd? En: jij deed toch zelf vervelend? De ik-figuur zit in een soort gedachtekramp: de ander is fout, en ik ben geweldig, en ook: de ander behoort mij toe. De ander is zijn vriendin Zigi, een violist; hij is schilder. Zou ik een psycholoog zijn, dan zou ik misschien zwaaien met termen als narcisme en gaslighting. In het onderstaande fragment komt het karakter van de hoofdpersoon tot uiting (de ik-figuur heeft net een zoutvaatje over zijn eten geleegd):

In dit fragment valt al veel op: de ik vindt het absoluut niet kwalijk wat hij heeft gedaan. Dat Zigi beteuterd kijkt is wel erg, want dat strookt niet met zijn beeld dat hij perfect is. Dat is wat moet worden aangepakt: hoe Zigi kijkt en wat ze zegt. Hij hoeft niet te veranderen, want hij is perfect. Later staat er: ‘Ze ging te ver. Ik moest haar stoppen.’ Dat is precies wat deze ik-figuur zo verschrikkelijk eng maakt: hij denkt echt dat het noodzakelijk is om de ander te ‘stoppen’, omdat het anders zijn zelfbeeld aantast, en elk middel is dan geoorloofd.

Hoewel deze roman (misschien past novelle beter) vooral een karakterstudie is van de hoofdpersoon, zijn er ook wat verhaallijnen te benoemen. De ik-figuur is op zoek naar zijn dochter Lotta die hij al meer dan tien jaar niet meer heeft gezien. Lotta’s moeder is naar Oostenrijk verhuisd met haar nieuwe vriend. Zigi krijgt extra vioolles van Anton op donderdagavonden (de eerste reactie van de hoofdpersoon: ‘En wat moet ík dan op de donderdagavond?’). De hoofdpersoon verkoopt schilderijen aan een restaurant dat net is geopend.

Deze verhaallijnen dienen vooral om de gedachtekramp van de hoofdpersoon te illustreren. Als lezer verlaat je zijn hoofd nooit, maar soms krijg je iets te horen wat een ander zegt. Zo is wat een administratief medewerker van een school waar Lotta op zat een schok met de realiteit. Aan de andere kant krijg je heel even sympathie voor de hoofdpersoon als hij schofterig wordt behandeld door de restauranteigenaren, en hij zijn schilderijen terug steelt. Die sympathie sterft snel weg, en als lezer wil je vooral alle personages waarschuwen om ver uit de buurt te blijven van deze man, om hem niet te geloven als hij even zijn zoetgevooisde stem opzet en zegt:

Zelfs hierin ligt een verwijt: Zigi had het moeten weten: zij doet het fout. Als ze samen naar een psycholoog gaan, komt er geen verkeerd woord uit de hoofdpersoon, maar direct erna blijkt als snel dat het niets op heeft geleverd, en de trieste conclusie zal moeten zijn dat er met deze hoofdpersoon geen gezonde relatie mogelijk is:

Dat gaf hij ons mee, dat we dat konden zeggen, maar als Zigi time-out ging roepen, zou dat bij mij niet werken, ze moest niet op de verkeerde momenten time-out gaan lopen roepen, maar dat zei ik niet hardop. Nou ja, het gesprek kostte honderd euro, en toen we terugliepen naar huis zei ik: Zigi, als je time-out gaat roepen, zal dat een verkeerd effect op me hebben, doe dat niet, roep niet time-out tegen me, en ik wilde haar hand vastpakken, maar die stopte ze in haar jaszak. Jammer van die honderd euro, dat ze na afloop niet eens mijn hand wilde vasthouden.

Erik-Jan Hummel

Joke van Leeuwen – Ik dacht dat jij. Querido, Amsterdam. 136 blz. € 17,50.