Laten we dwalen

De in 2021 overleden Bernard Dewulf heeft slechts drie dichtbundels geschreven, maar wordt toch geëerd met Verzamelde gedichten. Hierin staan ook gedichten die buiten de bundels zijn verschenen en een nawoord van Charles Ducal, vriend en een vakgenoot die Dewulf van dichtbij heeft meegemaakt. De binnenflap stelt: ‘Zijn gedichten kunnen worden gezien als een diep-tragisch en melancholisch zoeken naar contact, waarbij verwondering zijn drijfveer was.’ Dat is natuurlijk mooi uitgedrukt, maar dat diep-tragische wordt niet echt uitgediept, en precies dat diep-tragische is voor deze lezer de kern van deze Verzamelde gedichten.

Ducal noemt in zijn nawoord licht een van de thema’s van Dewulf. Daarmee doet hij wat aan Andreus denken. Dewulf beschrijft ook veel objecten: ik denk aan K. Schippers zonder de grappen, maar meer aan Erik Menkveld. De techniek is meestal zo strak, dat het bijna Achterberg is, maar dan veel meer ongedwongen. De emotie heeft soms iets van Kopland, en toch is Dewulf soms zo precies dat ik even aan Kouwenaar denk. Het is denk ik de combinatie, maar vooral een enorme bescheidenheid die Dewulf een unieke dichter maakt. En het thema van het diep-tragische: namelijk zowel ‘diep-tragisch en melancholisch zoeken naar contact’ als een diepgeworteld besef dat we dit contact nooit werkelijk zullen bereiken. Dat blijkt bijvoorbeeld uit:

Dwaling

Dagelijks hebben wij elkaar ontwaard,
nooit hebben wij elkaar gevonden.

Nooit hebben wij elkaar geraakt,
dagelijks hebben wij elkaar getroffen.

Dagelijks hebben wij elkaar gehoord,
nooit heeft iets ons verstaan.

Nooit heeft iets ons verklaard
dagelijks hebben wij elkaar gezien.

Nooit hebben wij elkaar ontweken,
dagelijks hebben wij de omweg gedaan.

Nooit hebben wij elkaar verzwegen,
dagelijks hebben wij elkaar verstomd.

Dagelijks hebben wij om elkaar bewogen,
want wij wilden niet verdwalen.

Nooit hebben wij nader bewogen dan
toen wij dwaalden om elkaar.

Er is dus een groot contrast tussen twee mensen die bij elkaar zijn en twee mensen die echt contact hebben. Toch lijkt om elkaar heen dwalen het hoogst haalbare te zijn. Daarmee zet het gedicht de negatieve betekenis van dwaling op zijn kop. Dit diep-tragische komt ook voor in het volgende gedicht:

Om

Ik kom u niet omhelzen,
ik heb u niet ontkend,

ik heb u niet gekend,
ik heb u vaak omhelsd.

Water langs de steen,
schaatser rond het wak

ik zal u niet,
ik moet leven om u heen.

Het gedicht erna is misschien nog preciezer:

Verlies

Omdat ik me zo vaak verloren heb
in dat zingen van de dingen,
in de momenten van de mensen,

omdat het me het liefste was
zo te verdwijnen, zo het lichtst
en dichtst te zijn

bij de oorzaak van het gedicht

omdat ik me zo vaak vergeten ben
in de klembeet van middagen
immer de gapende schaduwen

omdat het mijn natuur was,
mijn onmetelijk gewicht,
mijn neiging tot daadwerkelijkheid,

was er niemand.

Dit thema is behalve diep-tragisch, ook diep-menselijk: we streven allemaal naar werkelijk contact met de ander (de Ander) en falen en zullen altijd blijven falen, omdat we nooit de gevoelens en ervaringen van de ander werkelijk zullen beleven. Dus ook als de ik de u vaak heeft omhelsd, zal de ik als ‘water langs de steen’ zijn. Dichtbij, maar niet erin, net als de ‘schaatser rond het wak’, als heeft de schaatser in tegenstelling tot het water bij de steen, de mogelijkheid om in het wak te springen, of daar per ongeluk te belanden. In het gedicht ‘Verlies’ wordt de werklust van de dichter als reden genoemd van de afstand. Zouden de andere mensen ‘de oorzaak van het gedicht zijn’? Is het ‘verdwijnen’ een manier om de zwaarte van het leven te dragen? (Ducal gaat hier uitgebreid op in). Prachtig woord overigens: ‘klembeet’. Technisch ook prachtig, met als die ì-klanken, waarmee ook een poging wordt gedaan ‘het lichtst / en dichtst te zijn // bij de oorzaak van het gedicht’ bij elkaar te brengen: dicht bij geliefden zijn. Door ‘mijn natuur’, ‘onmetelijk gewicht’, ‘mijn neiging’ wordt weer bevestigd dat het falen in het werkelijk contact maken als is bepaald, onvermijdelijk is. In zekere zin is het tragisch dat Dewulf niet noemt dat juist het elkaar net niet bereiken, juist ‘water langs de steen’ zijn, ons verbindt. Alle mensen zijn op die manier eenzaam, dat is niet slechts een eigenschap van Dewulf geweest.

Iedere lezer haalt iets anders om een verzameling gedichten. Mij laten de gedichten bij schilderijen koud, al is Dewulf precies en een kunstkenner. Ook sommige gedichten waarin objecten beschreven worden komen mij wat levenloos over. Soms is een dergelijk gedicht wat filosofischer:

Zo

Het laatste is aanwezigheid.
Dat stoel en kast stoel en kast
staan te zijn, eindelijk poten.
Dat zij ’s ochtends lippen zet,
ogen lijst, haren – klaar
voor een dag in hun bestaan.
Dat in hun grote verstomming
de bomen, in leegte de tuin, en
dan ineens en hardop de bloemen.
Dat theepot en hemel, mijn hand,
dat alles zo onnodig, zo oneindig
bedreven wil zijn in er zijn.

Het schrijnende in dit gedicht zit hem natuurlijk in: ‘zo onnodig, zo oneindig / bedreven wil zijn in er zijn.’ Dit contrasteert duidelijk met het vorige gedicht waarin staat: ‘omdat het me het liefste was / zo te verdwijnen’. Er is dus een groot contrast tussen de dingen die zich opdringen met hun bestaan en de ik die het liefst wil verdwijnen en dus nauwelijks verbinding aan kan gaan met de dingen. Het gaat echter verder dan dat, want ook ‘mijn hand’ wordt genoemd: is het lichaam van de ik ook dwingender aanwezig dan de ik kan begrijpen? En wie is de ‘zij’ uit regel 4? Van alles dringt zich aan de ik op: dingen, een vrouw (zijn geliefde), zijn eigen hand, en wat een onbescheidenheid, wat nemen die allemaal te veel plek op het toneel, en de ik ziet het allemaal maar aan. Alles lijkt samen te komen in dit gedicht, tot besluit:

 

Thuiskomst

Ik heb je lief, al kan ik het niet weten.
Ik bedenk het als je thuiskomt van een dag
in je leven. Maar het is geen gedachte.
Je streelt mijn wang en wie weet,
dat gebaar. Het wordt duizend keer gemaakt
voor het bestaat. Hangt je jas aan de kapstok,
iets van niets, maar morgen ontbreekt het
misschien. Of schudt de dag uit je haar.
Wat ik dan daarin zie, is het begin.
Het huis ontstaat, de tafel neemt plaats,
wij veroorzaken elkaar. Het is toch niet
denkbaar dat iemand dit alles verzint.

Het is niet vaak dat Dewulf zo expliciet schrijft over liefde, maar het gaat verder dan dat. Zijn liefde is niet een gedachte, die alleen hem toebehoort. Er volgt een soort kentheoretische uiteenzetting. Al die kleine dingen waarmee we elkaar bevestigen, elkaars bestaan erkennen, dat kan niet verzonnen zijn (zeg door een Cartesiaanse kwade geest), en dus moet de ander bestaan. Hoewel de ik de ander niet kan bereiken, moet de ander bestaan. Dat iets ‘niet / denkbaar’ is, is echter ook een gedachte, en als we dit gedicht doordenken, komen we in een gevangenis van gedachten. Laten we liever als water om een steen, als schaatser om een wak, laten we dwalen.

Erik-Jan Hummel

Bernard Dewulf – Verzamelde gedichten – Licht dat naar ons tast. Atlas Contact, Amsterdam. 240 blz. € 24,99.