Recensie: Emy Koopman – De vrouw in de kelder
Afdalen in jezelf om gelouterd boven te komen
Onmiddellijk denk je bij de titel van de nieuwe roman van Emy Koopman aan ‘the mad woman in the attic’. De vrouw van Koopman zit dan wel niet opgesloten op zolder, de afzondering in de kelder lijkt naar een vergelijkbaar fenomeen te verwijzen als de vrouw op zolder in Jane Eyre, het beroemde boek van Charlotte Brontë. Het thema van die gekooide, gekke vrouw is een symbool geworden voor de verdrukte vrouwelijke verbeeldingskracht, creativiteit en seksualiteit. In De vrouw in de kelder trekt tekenlerares Veronika zich voor een paar maanden terug in een souterrain, om bij te komen van de dingen die haar zijn overkomen. Om stil te staan en na te denken, ‘grip krijgen en rusten’. Een verhaal waarin je als lezer dus ook opgesloten bent in het hoofd van deze Veronika en haar voortgaande gedachtegangen volgt. Voor die introspectie moet je wel open staan, maar het betekent niet dat straatrumoer geheel ontbreekt.
Hier beneden mag ik alles zijn: smerig, gemeen, walgelijk zelfs, of juist hypercorrect, irritant deugdzaam, het truttigste kutje. Ik mag schelden als een anonieme trol, preken als een pas ontwaakte messias, raaskallen als een megalomane politicus, dansen als een dragqueen lip-synching for her life, menstruatiebloed als oorlogsverf over mijn wangen […] – het maakt niet uit, hierbeneden, wat ik zeg of wat ik doe, wie ik doe of dat ik ben, er is niemand die me terugfluit!
Met die krachtige beginselverklaring begint ze haar afzondering. We zijn gewaarschuwd. De eerste weken van de afzondering zijn echter wat ongericht, Veronika maakt zich de ruimte langzaam eigen. Ze hoort in een van de kamers in het souterrain geluiden en ziet schaduwen die ze niet thuis kan brengen. Dat geeft de roman meteen een griezelige, spookachtige sfeer die in navolging van de titel doet denken aan een gothic novel. Al snel legt ze een link naar haar overleden vader Otto die mogelijk komt spoken bij haar. Hij overleed een aantal jaren terug aan kanker en Veronika heeft altijd een ambivalente relatie met hem gehad. Om te weten wat die vader precies in haar leven betekend heeft, zal ze terug moeten naar haar verleden, af moeten dalen in haar vroege jeugd. En dat is precies wat ze gaat doen. Tijdens die afdaling komt ze haar kinderkamer tegen, waar ze achter een poster van Duimelijntje twaalf keer ‘ik haat hem’ had geschreven. Ze denkt aan zijn smerige sigarengeur en de keer dat hij furieus werd toen vriendinnetje Sofie een glas ranja omstootte.
Die eerste herinneringen aan haar vader brengen een hele stroom gedachtes op gang die alle kanten en periodes van haar leven op gaan. Ze denkt aan haar puberteit waarin ze rebelleerde tegen haar ouders door ‘Ronnie’ genoemd te willen worden, te roken en te stelen met haar beste vriendje Juul. Met hem had ze een bandje opgericht dat ze Báthori hadden genoemd, naar een legendarische Hongaarse gravin, een soort vrouwelijke Dracula, gevonden in een van de boeken van haar moeder, die een proefschrift schreef over literaire vampiers. Ze denkt aan het moment waarop ze voor het eerst gewaarschuwd wordt voor ‘vreemde’ mannen en ingewijd wordt in de ‘eeuwenoude traditie van geen-aanleiding-geven’. Ze denkt aan het ziekbed van haar vader en hoe dat hem veranderde en hoe dat invloed had op de verhoudingen in het gezin. En ze denkt aan haar relatie met Andreas, met wie ze graag kinderen had gewild. Doordat ook zij ziek wordt en baarmoederhalskanker krijgt, komt die relatie hevig onder druk te staan. En steeds in die meanderende gedachtes, probeert ze te duiden wat ze betekend hebben voor haar. Op een kalm zoekende, vaak filosofische wijze, soms juist ook heel fel, veroordelend:
Ik wil boos zijn op hen, alleen op hen, de producenten, de machthebbers. Maar ik weet het niet, hoeveel mijn specifieke ziekte te maken had met al die gifstoffen, in hoeverre mijn cellen mede daardoor verzwakt en beschadigd zijn geraakt. En draaide ik zelf ook niet mee, draaien we niet allemaal mee, sommigen gewilliger dan anderen, ja goed, maar toch vrijwel allemaal, in dat systeem dat ons aanspoort onszelf en anderen ziek te maken maar waar we volkomen verslaafd aan zijn geraakt, […] dat wat ons troost en wiegt en kluistert, dat wat ons door de lucht slingert en ademloos boeit, en dan bedoel ik niet alleen de ronkende motoren en het gefrituurde eten en de goedkope troep, want het is meer, veel meer nog, wat we niet willen opgeven, dat waar onze welvaart op rust, het is een drang, de drang om tot het uiterste te gaan, harder, beter, sneller, sterker, het is de drang om steeds weer iets nieuws te proberen, en ja, die drang levert destructie op, onoverzienbare, allesvernietigende destructie […]. Is ziekte niet de logische prijs om te betalen voor al die weelde, voor overdaad?
De vrouw in de kelder heeft vijf delen die elk voorafgegaan worden door een tekening van kunstenares Moniek van de Pas. Steeds een klein vierkant met daarin een cirkel, een hand of woekerende strengen. Ook elders in het boek staan een aantal tekeningen, grotere, zwart-wit-aquarelen van plantachtige vormen, vogels, insecten, eieren. Ze passen goed bij het verhaal van Koopman, dat zoals gezegd ook verschillende kanten op waait en woekert. Bovendien is het personage Veronika niet alleen tekenlerares, ze is ook een gefnuikte kunstenaar die de kunstacademie niet afmaakte omdat haar steeds kleiner wordende gekooide vrouwfiguren ‘tienermeisjeskunst’ werden genoemd. Jarenlang raakte ze haar tekenspullen niet aan voor eigen werk en ging ze op in het lesgeven op een middelbare school. Pas na tien jaar gaat het vuur weer branden en zien na verschillende pogingen Veronika’s ‘ecolinevulva’s’ het licht, ‘vloeiende vormen, uitwaaierend als rorschachvlekken’.
Het was, vooral, een vormexperiment, het ging me om het organische, de verscheidenheid. Het was geen statement, laat staan een provocatie. Al moet ik toegeven dat mijn mondhoeken wat vilein opkrulden bij het maken van de krulletjes schaamhaar, en dat mijn adem in het begin ook even stokte bij het aanstippen van het diepe zwart van de schade.
Ze geeft ze namen van vrouwelijke kunstenaars, als een eerbetoon, maar niemand heeft dat door. Op haar socials zet ze deze werken niet maar een galerie is wel degelijk enthousiast en het levert haar zowaar een tentoonstelling op en goede kritieken. Toch blijken die ecolinevulva’s en die vrouwennamen nog een vervelend staartje te krijgen waardoor Veronika na alles wat ze al had meegemaakt, instort en het besluit neemt zich terug trekken.
Het kan overkomen als veel, wat er daar in die kelder allemaal langs komt. Veel problemen, veel innerlijke reflectie, veel woede, emoties. Maar als je mee gaat op die stroom van innerlijke reflectie, begin je langzamerhand ook op een prettige manier mee te voelen, mee te bewegen op de golven van de meanderende gedachten. Gedachten die steeds meer inzicht geven en van een persoonlijk ook op een abstracter en universeler niveau komen. Dit zegt ook iets over alle vrouwen en zo linkt die vrouw in de kelder ook met die gekke vrouw op zolder van Brontë. Aan het eind haalt buurvrouw Renée als een soort deus ex machina Veronika weer naar buiten, naar boven, waar ze rustig op een bankje het leven weer kan betreden. Hoe mooi dat het eindigt met een onbedaarlijke en redeloze schaterlachbui.
Martijn Nicolaas
Emy Koopman – De vrouw in de kelder. De Arbeiderspers, Amsterdam. 272 blz. € 23.99.