Recensie: Anne Carson – Glas, ironie & God
Iets aan het mysterie overlaten
Hoe Anne Carson te typeren? Onwillekeurig komt dat filmpje terug bij me op. We zien haar op de rode loper bij een prijsuitreiking staan. (Op zichzelf al een beeld dat zo in een van haar gedichten zou kunnen voorkomen.) Ze houdt ietwat onhandig een microfoon vast terwijl een journalist haar vraagt wat haar favoriete boek is dat het afgelopen jaar is uitgekomen. Een vraag waar elke vlotte, beetje media getrainde auteur wel een leuk en hip antwoord op zou weten te formuleren, maar daarvoor moeten we niet bij Carson zijn: ‘I don’t really read books that came out last year. I read old books, because I’m a classicist, so mostly the books I read were published in 500 B.C.’ ‘Heeft u er toch niet eentje die u ons zou willen aanraden?’, probeert de journalist het format overeind te houden. ‘Homer,’ zegt ze stoïcijns, ‘I always say Homer.’
Zie daar Carson in een notendop. Maar weinig hedendaagse auteurs die het aandurven zo onverbloemd erudiet, zo onverbloemd literair te zijn. Wie de inhoudsopgave van het onlangs naar het Nederlands vertaalde Glas, ironie & God erop naslaat, voelt ook meteen dat er hier geen zoete koek te wachten staat. Wat moeten wij – moderne, verlichte mensen – vandaag de dag in godsnaam nog met titels als ‘De waarheid over God’, ‘De val van Rome’ of ‘Het boek Jesaja’? Om nog maar over al dat gespeel met vorm en inhoud nog maar te zwijgen. Zo is ‘Het Glas-essay’ nog een lang gedicht in een min of meer vrije versvorm, terwijl we met ‘Het gender van geluid’ zowaar een echt essay te pakken hebben, met eindnoten en al.
Opvallend is het daarom dat wie Carson daadwerkelijk begint te lezen, al snel overspoeld wordt door een grote mate van directheid. Al die zogenaamde geleerdheid maakt als vanzelf plaats voor een oprechte en onbeschroomde taal, waarin geen enkel taboe uit de weg wordt gegaan. Neem dit fragment uit ‘Het Glas-essay’ bijvoorbeeld waarin Carson een nachtelijke escapade in de koelkast van haar moeder beschrijft:
Nadat ik onder een slim bouwsel
van overgebleven stukken kerstcake in folie en medicijnflesjes
de bak yoghurt vandaan heb gevist
doe ik de koelkastdeur dicht. Blauwig schemervult de ruimte als een teruggetrokken zee.
Ik leun tegen de gootsteen.
Wit eten smaakt mij het besten ik eet het liefst alleen. Ik weet niet waarom.
Je hoeft nu niet echt door te hebben gestudeerd op de klassieke letteren om iets van wat er onder deze woorden schuilgaat mee te krijgen. En zo is het met veel van de teksten in deze bundel. De taal is zo intuïtief en fijnbesnaard dat de betekenis ervan zich haast als vanzelf aan je opdringt. In de vorm mag Carsons werk dan vaak grillig en tikkeltje intimiderend lijken, op het eind van de dag gaan deze teksten over doodgewone en diepmenselijke gevoelens als liefde, haat, angst en vervreemding.
Misschien daarom juist ook wel dat Carson verbinding zoekt met al die klassieke teksten. Gaan die immers niet over diezelfde gevoelens, die op het eind van de dag de basis onder ons menselijk bestaan vormen? Zo probeert Carson zichzelf in datzelfde ‘Glas-essay’, doorheen het werk en de biografie van Emily Brontë, naar een meer duurzame verhouding tot de werkelijkheid toe te schrijven, die door een zware relatiebreuk op losse schroeven is komen staan:
In dit gedicht draait ze de rollen om,
praat ze niet als slachtoffer maar tegen het slachtoffer.
Het is beangstigend te zien hoe Gij de gij benadert
die eenzaam in het donker ligt te wachten om overmeesterd te worden.Het is een schok te beseffen dat deze lage, langzame collusie
van meester en slachtoffer in één stem
haar rationalisatie isvan de gruwelijke eenzaamheid die door de dichter wordt beleefd.
Ze heeft de rollen van gij en Gij omgedraaid
niet als machtsvertoonmaar om medelijden uit zichzelf te persen
voor de in het glas gevangen ziel
die haar ware schepping is.
In dit soort passages is Carson op de toppen van haar kunnen, wanneer ze haar analytische blik aan haar gevoel weet te koppelen en ze, ondanks de scherpte van haar inzicht, toch nog iets aan het mysterie over weet te laten. Want de algehele toon van dit werk mag dan wel direct zijn, toch blijft er nog genoeg te raden over. In achteloze zinnetjes als: ‘Het is tweerichtingsverkeer, // de taal van het ongezegde.’ Of wat doet Herkules daar ineens op een filmset in Death Valley? Of waarom is een vreemdeling ‘iemand / met weinig verstand van leidingen’? Stuk voor stuk raadselen die in het brein van de lezer blijven hangen en waar Carson weigert een eenduidig antwoord op te geven.
Zo is het leven immers ook niet. Ook dat is altijd rationeel, gevoelig en mysterieus tegelijkertijd. Drie elementen die Carson in haar werk telkens weer op haar hoogst eigenzinnige manier in elkaar weet te vlechten. Soms uit de bocht vliegend, dan weer diep ontroerend, maar altijd prikkelend en op het scherpst van de snede geformuleerd. Diepe buiging dan ook voor vertaler Marijke Emeis die dit unieke taaluniversum nu al een paar jaar, op een al even eigenzinnige manier, in het Nederlands weet te reconstrueren. Het zou me niks verbazen dat als straks al die vlotte, een beetje media getrainde auteurs gevraagd wordt wat hun favoriete boek van het afgelopen jaar was, ze allemaal met Glas, ironie & God op de proppen zullen komen.
Jonathan van der Horst
Anne Carson – Glas, ironie & God. Uit het Engels vertaald door Marijke Emeis. Koppernik, Amsterdam. 162 blz. € 24,50.
Op zaterdag 13 september komt Anne Carson naar de lage landen voor een optreden in Bozar te Brussel. Kaarten zijn hier te koop.
