Essay: André Keikes – Zijn schrijvers betoverde nachtdieren?
Behalve schrijver Maarten ’t Hart, die naar eigen zeggen elk dag eerder wakker en actief is dan de haan, ben ik maar hoogst zelden iemand tegengekomen die er openlijk voor uitkomt dat hij of zij een ochtendmens pur sang is. Daar is duidelijk iets mee. Het is wel een beetje vergelijkbaar met mensen die het leven van nature zwaartillend tegemoet treden of koffie met melk drinken en lichte chocola verkiezen boven donkere. Dat zijn eigenschappen en voorkeuren die je kennelijk maar beter onbesproken kunt laten, want niet-stoer.
Wie uit zichzelf laat weten avondmens te zijn daarentegen, lijkt daarmee te willen laten uitkomen tot de ‘mensen van de wereld’ te behoren, ook al woon je dan in in een oude nieuwbouwwijk in Doetinchem of Heerhugowaard. Dus geen brave burger, die al om tien uur maft, omdat hij of zij de volgende ochtend natuurlijk al weer vroeg op moet, waar de onnozele plicht roept.
De avondmens is zo niet. Die drinkt een goed glas of meer, praat en danst, is flexibel en open minded, weet van de hoed en de rand. Avondmensen suggereren persoonlijke netwerken te hebben waar je jaloers op moet zijn. In dynamische metropolen, dat spreekt vanzelf. Ik woon dan wel in een zijstraat in Krimpen aan den IJssel, maar ich hab noch einen Koffer in Berlin, dat werk. En ze ontmoeten daar prachtig gebouwde mannen en vrouwen, natuurlijk allemaal avondmens én kosmopoliet.
Schrijvers van literair proza of poëzie zijn vrijwel altijd ook avond- en nachtmensen als je de romantische verhalen mag geloven. De lijst van erkende schrijvende night owls is imposant, van Alan Ginsberg, Connie Palmen en Pablo Neruda tot Jeroen Brouwers, Sylvia Plath en T. S. Eliot. Mede daarom worden ze bewonderd door de velen die de volgende ochtend weer vroeg op moeten voor eentonig kantoorwerk, al had (en heb) je ook schrijvers die pas na een lange ‘gewone mensen’-werkdag aan schrijven toekomen. Franz Kafka bijvoorbeeld, Willem Elsschot en Han Voskuil. Vaak zijn of waren deze auteurs ook erg overtuigd van het nut van een zich steeds herhalende dagindeling; begrijpelijk. Lodewijk van Deyssel, Thomas Mann en Leonard Nolens konden niet zonder. Nolens in zijn Dagboek van een dichter 1979-2007:
Het repetitieve van slapen en wakker worden, eten en drinken, werken en vrijen, weggaan en thuiskomen, construeert het rustig of hortend lopende mechanisme van de klok die ik ben. Alleen een ander, een vreemde kan die lezen. Het uurwerk zelf ziet nooit hoe laat het is.
Maar die relatieve ordelijken vormen wel de uitzondering. Scheppende personen zijn, zo wil de mythe, betoverde nachtdieren. Geen wonder dat je een beetje op zo iemand wilt lijken. Je kunt er mee beginnen door te zéggen dat je ook een echte nachtuil bent, al blijft je avond- en nachtleven beperkt tot Nieuwsuur, eventueel in de herhaling van 00.25 uur.
Schrijver Kees ’t Hart, geen familie van ochtendmens Maarten, schreef in zijn bundel Victorien, ik hou van je (2021) mooie dingen over zijn vroegere Leeuwarder nachtleven, steevast eindigend in de zeer vroege ochtenden op de Eewal: ‘De mooiste nachten waren altijd in Leeuwarden. Voorgoed. Nu nog natuurlijk’, en dan bezingt hij die lommerrijke straat van ’s nachts om kwart voor vier. Maar even later voegt hij er wel even aan toe: ‘[…] maar overdag kon het ons in die straat niks schelen’. Typisch een nachtmensenopmerking.
De ochtendmens, altijd weggezet als onnozele provinciaal, steekt bij zulke flonkerende persoonlijkheden natuurlijk flets af. Hij of zij heeft geen enkele status. Ochtendgrauw, droge keel, slappe thee. Uit de kast komen als uitgesproken ochtendmens is bepaald geen aanbeveling op Tinder of waar dan ook, al is er tegenwoordig een kleine social media community actief, de 5 AM Club, die zich er juist mee wil onderscheiden, maar dit terzijde. Schrijvers gaan er waarschijnlijk vanuit dat anderen er vanuit gaan dat schrijvers avond- en nachtmensen zijn. Om de vredige stilte natuurlijk en de onmisbare concentratie, al bestaan er in onze jaren ook heel betaalbare hoofdtelefoons met ruisonderdrukking.
Niet zelden vanwege de recalcitrantie wil een enkeling nog wel eens gedurfd opmerken dat hij niet van dat aanstellerige nachtgebeuren houdt. Gerard Reve deed dat al natuurlijk, zoals in Brieven aan Josine M. (1981):
Ik sta tegenwoordig smorgens om half vier op (nog voor zonsopgang) en ga tussen 8 & 9 savonds naar bed. Nu, vandaag, heb ik me moeten verlaten tot 6 uur. Het is op het ogenblik kwart voor zevenen in de ochtend, & ik haast mij daarom met deze brief, die ik straks aan de postbode wil meegeven.
Maar zoals katten- en hondenmensen niet zulke gescheiden werelden zijn als vaak gesuggereerd wordt, zo hoeft de tegenstelling ochtend-avondmens ook niet zo zwartwit te zijn. Rond vier uur in de nacht / ochtend werken hardcore nacht- en ochtendmensen immers beiden in volle vrede. Behalve genoemde Maarten ’t Hart misschien, die in zijn Privé-domeinbundel Een deerne in lokkend postuur (2000) opmerkt dan juist, om ‘even na vijven’ of ‘om half zes’ in de vroege ochtend, zijn hond uit te laten. Wat werken, in dit geval nadenken, natuurlijk niet uitsluit. Dezelfde bundel begint meteen met de opmerking dat ’t Hart tijdens de jaarwisseling om half tien naar bed was gegaan met oordoppen in en door alle lawaai heen is geslapen.
Dichteres Sasja Jansen vertelt in Een mogelijk begin van veel (2021), met interviews door Hester van Hasselt en fotoportretten van Bianca Sistermans, dat ze in de eerste versie van een nieuw gedicht eens schreef over ’s nachts naar buiten gaan ‘op zoek naar de taal’. En er een man ontmoette – ‘een slapeloze, net als ik -, die onder mijn balkon stond te wachten’. Slapeloosheid kan natuurlijk ook een aspect zijn aan het moment in het etmaal om te werken. Al zegt het weinig over je inwendige klok en dus over het tijdstip waarop de muzen dansen. Annelies Verbeke schreef er haar succesdebuut Slaap! (2003) over, dat inmiddels een twintigste druk heeft bereikt en bovendien in twintig talen beschikbaar is.
Word je echt geboren met een zon of maan boven je hoofd? Wetenschappers menen van wel, zij het met relativerende kanttekeningen. Wat ongetwijfeld een bepalende rol speelt, is de dagelijkse praktijk. Je wordt op zeker moment als vanzelf ochtend- of avondmens door de eisen die het leven aan je stelt. Een acteur of actrice die hardnekkig zou blijven volhouden een ochtendmens te zijn en daar ook naar wil leven is onbestaanbaar – Doek gaat op, waar is Tjitske, oh die is al gaan slapen. Zo gaat het uiteraard niet; zij zal door een zich steeds herhalend patroon van avond- en nachtactiviteit in de loop van de tijd als vanzelf muteren in een avond- en nachtmens. Maar een ochtendmens zal vast ook geen theatercarrière ambiëren
Wie, daartoe gedwongen door onwrikbare kantooruren, altijd om zeven uur op moet, zal het niet lang volhouden als avond- en nachtmens. Dat is meer iets voor de vakantie. Zo ontstaat als vanzelf de status van het avondmens-zijn: je suggereert ermee een coole baan te hebben, ook al doe je alleen maar drie dagen per week licht administratief werk bij een pensioenverzekeraar.
Sommige mensen verlaten hun huis als het donker wordt, anderen willen dan juist thuis komen. Maarten ’t Hart, ja die, is niet alleen ochtendmens, hij is ook nog eens geheelonthouder. Een tegenwoordig weinig populaire combinatie, zoals je die vroeger vaak aantrof bij blije, socialistische dauwtrappers, die erg in geheelonthouding geloofden en zo mogelijk al om vijf uur ’s morgens in de blote benen de natuur liepen te determineren. Katers of gewone ochtendsufheid kenden ze niet, dus trokken ze er meteen na twee volkoren boterhammen en een glas volle melk op uit.
’t Hart beschikt ook niet over talent om uit te slapen, heeft hij geregeld verklaard. En dat impliceert dat er weinig rek overblijft in de avond. Hij is dan ook geen vaste bezoeker van culturele fuiven, wat misschien mede verklaart waarom hem, ondanks menig succesrijk boek van zijn hand, welbeschouwd zo weinig literaire prijzen ten deel zijn gevallen.
Wie daar geen last van heeft, al wordt hij steevast, maar tot nu toe ten onrechte, genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur, is Haruki Murakami. In het prachtboek The Writers (2022) van fotograaf Laura Wilson (werkzaam voor onder meer The New Yorker, The New York Times, Vanity Fair), zegt Murakami om 4 uur ’s ochtends op te staan om te schrijven:
‘I like the hour to be early morning,’ he told me. ‘It’s still dark outside. There are no sounds. I can concentrate.’ He writes in Japanese for two or three hours. ‘I just write what I want to write, when I want to write.’ […] ‘A story comes naturally to me. And I just write it down. I have to write. It’s my work. When Im tired, I quit and go for a run.’
Donald Niedekker ademt in de vroege uren in de natuur, ritselt er mee met de kleine dieren en planten. Hij geniet van de wind en de regen. Dat schrijft hij tenminste in zijn kleine, maar fijne boekje Ochtenden (2023). Poëtische verstilling in steeds wisselend licht. Maar is hij daarmee automatisch een ware vroege vogel? Wie weet wat hij ’s nachts doet?
Ochtendmensen worden gemakkelijk vergeten. Ze wonen meestal ook niet in het centrum van de hippe stad, waar zich de kringen en wereldjes bevinden, waar de leden van de incrowd elkaar met theatrale omhelzingen begroeten. Het jaarlijkse Boekenbal begint ook nooit om zeven uur in de ochtend. Zo zie je maar.
Maar je kunt er toch wel iets aan doen. Journalisten en programmamakers zijn best bereid eens ‘op reis’ te gaan, maar liever naar Berlijn dan naar Heerenveen, een public relations-fenomeen waar wijlen schilder/schrijver Armando al eens op wees, toen hij zich decennia geleden in Berlijn vestigde als in Nederlandse ogen interessante exoot. Als het mediavolkje weer vertrokken was, kon hij mooi op tijd naar bed. Niemand zal je als Berlijner ook missen in vaderlandse culturele kring.
Dat alcohol en een leven als avondmens doorgaans samengaan, valt moeilijk te ontkennen. Het kan ook een verklaring zijn voor het tegenwoordig zo opvallend geringe aantal openlijke ochtendmensen. Iedereen houdt vandaag de dag wel van een glas of wat, zeker in het weekend. Kom op een vroege zaterdagochtend naar het centrum van een grotere stad en je ziet overal geopende winkels en zelfs vrije parkeerplekken, maar nog nauwelijks klanten en slechts mondjesmaat bezette terrassen, terwijl het zonnetje toch lekker schijnt.
Pas rond twaalven komt de boel een beetje op gang. Maar dan is de ochtendmens al weer richting huis. Met in zijn of haar tas het in de nog rustige boekwinkel ontspannen uitgezochte nieuwe boek. Ochtendmensen kunnen nog zonder problemen de drukte ontwijken in het volle Nederland. Het is een kwestie van een beetje planning, te beginnen de avond tevoren.
André Keikes
Illustratie André Keikes: Arnhem in de nacht.

Geweldig essay van en voor een ochtendmens.