Ronald Giphart is de nieuwe presentator van De Taalstaat. Naar aanleiding daarvan legt de Volkskrant hem dit weekend enkele dilemma’s voor. Een daarvan is: schrijver of presentator? Giphart geeft een relativerend antwoord over het schrijverschap:

Ik ben schrijver, maar ik heb mijn leven lang geageerd tegen het romantische beeld dat je dat voor de eeuwigheid bent, dat zoiets in je DNA zit. Een schrijver is simpelweg iemand die boeken schrijft. Zolang ik boeken schrijf, ben ik schrijver.

Vervolgens geeft hij af op bewoners van de literaire wereld:

De literatuur bestaat uit een verzameling zelfoppijpers, grote monden en opgeblazen ego’s. Zelfrelativering is met een klein lampje ergens in een achterhoek van het gebouw der literatuur te vinden. Kijk naar de vanzelfsprekendheid waarmee schrijvers vinden dat wat zij vinden, belangrijker gevonden moet worden dan wat een groenteboer vindt.

Giphart lijkt zich daarmee al dan niet bewust aan te sluiten bij Joost Oomen, die zich enkele weken geleden in de NRC ook al kantte tegen zichzelf te serieus nemende schrijvers. Een oplossing voor deze kwaal zou het hebben van succes kunnen zijn, want zoals Adriaan van Dis Giphart eens vertelde zijn mensen met succes aangenamere mensen dan mensen zonder succes. Dat Gipharts succes als schrijver in zijn eigen woorden is ‘afgekalfd’, daar lijkt hij zich mee te hebben verzoend:

Dat het succes minder wordt, is een natuurwet, niet alleen in de literatuur maar ook in de film en de muziek. Op een gegeven moment kennen mensen het trucje wel, gaan ze op zoek naar iets nieuws. Zelf doe ik dat ook. Vroeger zou ik naar de boekhandel zijn gescheurd om de nieuwe Brusselmans te halen. Dat doe ik niet meer.

Lees de rest van het interview, met onder andere bespiegelingen over de toekomst van de literatuur en de poëzie en zijn complexe band met Joost Zwagerman, hier.