Column: [Sic] – De ontvreemding van W.F. Hermans
De ontvreemding van W.F. Hermans
De laatste roker is niet meer. Ik was er nochtans met goede zin aan begonnen, na precies een jaar lang geen werk van W.F. Hermans te hebben gelezen. Dat voelt als een periode tussen twee ijstijden. Het sterven van de laatste roker ging als volgt:
Van vrijdag tot zondag op roadtrip door de Ardennen in een stadstank: goedkoop benzine slurpen waar het kan, wandelen waar het mooi is, foto’s maken van zeer groen mos. Stoppen bij een brocante markt, veel oorlogsboeken zien, bontjassen en wandelstokken met nagemaakte hoofdjes van zwarte mensen erop als ornament, een marmeren tafellamp kopen en steeds zeggen dat die erg zwaar is – de eerste keer dat je hem laat vallen vindt nog in de hal plaats. Bij de auto pak je hem in met je vuile Feyenoord-nachthemd en sport- slash naar-de-douche-loopbroek. Op de terugweg maak je een stop in Maastricht om te lunchen, maar de parkeerplekken voor de eettent zijn vol. Je rijdt door naar een parkeergarage en zet de auto daar neer.
Terwijl je wentelteefjes doormidden snijdt rijdt er een busje de garage in. Er wordt nog niet geparkeerd, maar een man stapt alvast uit en zet de achterklep open. Daarna loopt hij langs de auto’s, ziet de jouwe staan, heft zijn schroevendraaier en slaat de achterruit in. Zijn maat staat opeens naast hem, samen trekken ze de weekendtassen eruit, ‘zie je wel dat zo de mens is’ knort Hermans terwijl hij in het busje wordt gegooid dat er natuurlijk meteen vandoor rijdt.
Als je de parkeerplaats op komt lopen zie jíj dat de auto er nog staat, maar zien de anderen het glas dat zich naar de grond verplaatst heeft, in honderden stukjes ligt en vergezeld wordt door de schroevendraaier. Iedereen stuift een kant op, want bij een auto-inbraak worden de waardeloze spullen in de omgeving gedumpt. Voor de vorm loop je ook een rondje. Niemand vindt iets.
In Scheppend nihilisme zijn de beste interviews met Hermans verzameld. Daarin zegt hij:
Al die mensen die nu over straat hobbelen om de mensheid te verbeteren vervullen mij met een bepaald soort deernis. Ik weet dat dat niet mogelijk is. De mensen zijn nog veel en veel slechter dan deze jongelui vermoeden. Nu, op het ogenblik dat we in een soort welvaarstsstaat leven, zijn we nog tamelijk fatsoenlijk. Maar het hoeft niet meer dan 10, 20% achteruit te gaan of het beest komt helemaal boven. Ik bedoel: in zo’n oorlog kon je niet met een droge boterham op zak lopen of je moest allebei je handen erop houden, anders jatten ze hem eruit! Het is verbazingwekkend wat zogenaamd fatsoenlijke mensen aan misdadigheid kunnen ontplooien in dergelijke noodsituaties.
Toen ik dat las vond ik dat heel waar, ook al heb ik nog nooit een oorlog meegemaakt.
Wat mij door de inbrekers nog meer ontnomen is, is mijn poëzieschrift, waarin ik met het oog op een bundel gedichten schreef over klassenmigratie: het opgroeien in een sociaaleconomisch achtergesteld milieu en het terechtkomen in de middenklasse. Oftewel: van het hebben van een tekort naar het hebben van een teveel. Het verlies van dat schrift is vrij dramatisch, dat besef ik heus wel als we daar op die parkeerplaats staan te bellen met onze ouders en partners, maar het voelt ook als een logisch gevolg van wie zij zijn, mijn vrienden – nee, wie ik ook ben geworden: een have. Dat de have-nots het op ons gemunt hebben is misschien nog wel terecht ook.
Deze have-nots houden in ieder geval niet van oude spullen: bijna alles is de kofferbak uit, maar mijn marmeren lamp ligt er nog. ‘Misschien haten ze Feyenoord,’ grappen we, terwijl ik het shirt nog eens om de lamp wikkel. Deze diefstal kent alleen maar verliezers. Je zou maar zo’n risico nemen en dan een literaire buit vinden.
Martijn van Bruggen
