‘op een gemiddelde dag trekken we duizenden lijnen’

iedereen blaakt van vertrouwen
behalve ik
ik blijf heen en weer lopen naar de werkbank en voel goed
aan alle takken, laat ze door mijn handen gaan,
en Tess komt naar me toe en drukt me zomaar een paar
takken in mijn handen, die ik van haar in een gat moet steken
terwijl ze over mijn schouder meekijkt.
Kom op, Jamie, zegt ze,
het is allemaal erg hapsnap, sputter ik tegen.
Maar ik steek de takken in een gat achter de uitsparing voor
het bankje, achter de shoulder splice, de verbinding tussen dol-
boord en schouder, en we zetten ze losjes vast met touw, want
meneer Foley gaat het sjorren zelf doen, en hier is het anders
dan bij de boeg, waar we gewoon met enkele ribben werken.

Zou het kunnen zijn dat leven lijkt op hoe je een boot bouwt? Dat wil zeggen: gewoon maar doen, zonder dat je zelf nog het vertrouwen voelt. De ander spoort je aan en je ziet dat die ander in elk geval voor even denkt te weten wat hij doet en daarom kom jij zelf ook in beweging. In Hoe je een boot bouwt legt Elaine Feeney subtiel en ontroerend heel wezenlijke elementen van het leven bloot, waarbij duidelijk wordt hoe hard we elkaar nodig hebben.

Het is of Feeney gewoon maar willekeurige mensen uit het leven heeft geplukt, die toevallig op een school samenkomen. Allereerst is daar Jamie O’Neill, een dertienjarige jongen die bij zijn vader Eoin woont. Zijn moeder met de betekenisvolle naam Noelle (‘geboortedag’) is overleden bij de geboorte van Jamie. De jongen lijkt een wetenschapper in de dop. Hij wil alles weten en legt complexe verbanden. Het liefst wil hij een perpetuum mobile bouwen, een manier waarop hij weer even samen kan zijn bij zijn moeder. Als het boek begint, gaat hij voor het eerst naar de middelbare school, waar het voor hem verdraaid moeilijk is om te overleven, omdat hij met zijn zonderlinge belangstelling en voorkomen niet helemaal aansluiting vindt bij zijn klasgenoten. Feeney laat ook de onrust van zijn vader voelen als hij zijn zoon los moet laten: ‘In de kamer daarnaast was Eoin rusteloos: hij had de hele nacht zo liggen woelen dat het hoeslaken op de grond was beland. Zijn huid was geschaafd en geïrriteerd door de spijkerknopen van de kale matras.’

Naast Jamie en Eoin is er Tess Mahon, een docent die in een ongelukkige relatie zit, en zich voorbereidt op het nieuwe schooljaar. Hun wegen kruisen elkaar toevalligerwijs en vanaf het eerste moment is duidelijk hoe kwetsbaar ze zijn en hoe zij dat voor elkaar niet verbergen. Er ontstaan bizarre gesprekken waarin hun karakters zichtbaar worden: Jamie met zijn opvallende kennis en verlangen naar structuur, Tess met haar fijngevoeligheid en empathie.

Een andere collega, Tadhg Foley, besluit met Jamie en een paar andere jongens een boot te bouwen, een currach, een kleine boot die vroeger door Ierse monniken werd gebruikt. Ook Tess sluit geregeld aan. Bij het bouwen zie je hoe de abstracte kennis en het verlangen naar perfectie in Jamies hoofd gaan botsen met de weerbarstige en chaotische realiteit, hoe hij in dat proces overeind probeert te blijven en daarin zo liefdevol aangemoedigd wordt door Tess en Tadhg. Terwijl het bouwen van zo’n boot juist vooral een heel fysiek gebeuren is, voel je ook de diepere betekenis die daaronder ligt: hoe zorg je ervoor dat je straks veilig in dat woelige water kunt overleven? Dat overleven heeft ook alles te maken met de mensen die je in je leven om je heen hebt verzameld.

Er vinden talloze botsingen van karakters plaats in de roman en die laten prachtig de zoektocht zien naar wat de verschillende personages belangrijk vinden in hun leven. Tess gaat voor de derde keer naar een kliniek om een embryo in zich te laten plaatsen, maar beseft dan op de valreep dat ze misschien helemaal geen kind wil, omdat ze niet meer verder wil met Paul, die haar op cruciale momenten in de steek laat. Ze vlucht de kliniek uit en de emotionele chaos waarin ze dan terechtkomt, botst niet alleen met de rechtlijnigheid van Paul, maar gaat tegelijkertijd weer een verbinding aan met het ruwe karakter van Tadhg, die haar min of meer opvangt, terwijl hij zelf doodsbang is voor welke relatie dan ook.

Deze onhandige, schommelende en botsende bewegingen tussen de karakters loopt op wonderschone wijze synchroon met het bouwen aan de boot en de grillige beweging van een boot op het water. Je beoogt een rechte lijn, maar golven en wind beïnvloeden die lijn. Ook de stijl van Feeney past hier zo goed bij. De afgebakende zinnen monden uit in wat meer fragmentarische stukjes en aan het eind zelfs in iets wat je eigenlijk gewoon poëzie kunt noemen.

Grote complimenten daarom ook voor de vertaler en vormgevers van het boek, omdat die laten ervaren hoe alles met alles samenhangt. Extra mooi is dat de karakteristieke onafhankelijke uitgeverij HetMoet, die dit boek heeft uitgegeven, ooit is begonnen op een historisch zeilschip. Deze roman had geen betere uitgeverij kunnen vinden.

Ontroerend is hoe subtiel en complex het onderwijs in dit verhaal wordt neergezet: aan de ene kant het gevaarlijke gebied waarin kinderen hun ondergang tegemoet kunnen gaan, omdat niet alleen schoolgenoten, maar ook volwassenen genadeloos kunnen zijn. Tegelijkertijd is daar de liefdevolle omarming van de wat meer onzekere individuen, de twijfelaars tussen de docenten, die juist in hun twijfel en onzekerheid leerlingen zelfvertrouwen kunnen geven, omdat zij leerlingen als hun gelijken zien, als zoekende mensen, die fouten mogen maken en daarop terug kunnen komen:

op een gemiddelde dag trekken we duizenden lijnen –
door onze kamers, onze scholen, dorpen, steden.
Want we vuren af, raken gekwetst, voelen ons verliefd,
ongeliefd, de hele dag door, we zien betekenis in de lijn die
we hebben bewandeld, zoeken in willekeurige dingen naar
symbolen, iets wat ons geruststelt,
door al die toevallige gebeurtenissen met elkaar te verbinden

Het einde komt als een verrassing en is magisch, misschien zelfs mystiek te noemen, omdat het water de verschillende karakters in de roman verbindt, de levenden en de doden. De lezer beseft hoezeer hij van deze zonderlinge karakters is gaan houden, hoe zij niet zonder elkaar kunnen en hoezeer ons verlangen naar zingeving de enige weg is die we door het stormachtige water, leven, kunnen gaan.

Dietske Geerlings

Elaine Feeney – Hoe je een boot bouwt. Vertaald door Astrid Huisman. Uitgeverij HetMoet. Amsterdam. 328 blz. € 24,99.