Recensie: Erik Nieuwenhuis – Lijn 1
Ploeteraars in de bocht
Het is haast onmogelijk niet meteen aan Simon Carmiggelt te denken wanneer het gaat om het stilletjes observeren van gewone Amsterdammers. Want dat is wat Erik Nieuwenhuis doet in Lijn 1, met een omslagillustratie die herinnert aan De goede zoon van Rob van Essen. Wat is het voor boek? Geen gangbare roman met een ingenieuze structuur, een duidelijke protagonist en een plot. Ook geen bundel korte verhalen. Zelfs mozaïekroman klinkt nog wat te traditioneel.
Ja, het gevoel dat je kreeg bij de Kronkels van Carmiggelt, bespeur je hier ook wel, al zijn Nieuwenhuis’ stads- en mensindrukken natuurlijk van deze tijd. Met geldautomaten, ‘oortjes in’ en fatbikes. Allemaal details, die Carmiggelt nooit gekend kan hebben. Bovendien heeft Lijn 1 een helderrode draad; geen kroegen, maar de tram van Lijn 1.
Nederlandse literatuur is vrijwel uitsluitend gefocust op Amsterdam, wonderlijk als je het je goed realiseert, want het zeker zo multiculturele Rotterdam telt bijna evenveel inwoners, Den Haag is evenmin een dorp. Utrecht, Groningen, Eindhoven, je ziet er in literair Nederland maar zelden iets van terug. Ook Lijn 1 rijdt in onze kleine hoofdstad. En daar maken gewone mensen gewone dingen mee.
Hij staat op en checkt uit en probeert zich voor te stellen hoe hij zo dadelijk in het mistige winterlicht langs de grote plas naar het verpleeghuis wandelt. Een nietige figuur. Iemand die maar al te goed beseft dat mannetjes zoals hij kruimeltjes zijn op het ontbijtbord van de geschiedenis. Die niettemin zijn plicht blijft doen. Kinderen leren zwemmen. Brood bakken voor zijn zus. Zo iemand over wie de dichter schrijft: ‘Ik ga maar en ben’.
De meeste trampassagiers ploeteren door het bestaan. Ze koesteren geen grote idealen, behalve het zonder brokken halen van het einde van de maand. Ov-gebruikers zijn namelijk nogal eens degenen die geen dure auto hebben of zich een ledig leven kunnen veroorloven. Eerder studenten, bejaarden, would-be schrijvers en -kunstenaars, mensen met schulden en ook nog een paar principiële auto-haters. Voorwaar een aantrekkelijk gezelschap voor een schrijver.
Nieuwenhuis oordeelt niet, hij observeert en geeft er zonder zich ergens in te mengen zijn indruk van. Gefictionaliseerd, want dit is geen ‘waar gebeurd’-boek. Al bestaan dit soort levens natuurlijk wel degelijk. Eenvoudige jongens, die geen zin hadden om naar school te gaan en nu spijt hebben, in vechtscheidingen verzeild geraakte vrouwen, doodeenzame zielen, mensen die hopen toch nog eens ‘de ware’ te vinden. Een hele boulevard of broken dreams trekt aan je voorbij.
Met wisselende perspectieven, tijden en seizoenen, zoef je langs, in ieder geval voor Amsterdammers, bekende plekken tussen de tramstations Muiderpoort en Matterhorn. Wie je daar nauwelijks tegenkomt zijn de in de media zo vaak besproken hoogopgeleide, immer rationeel oordelende, kosmopolitische welgestelden, die geen twijfel kennen. De trampassagiers zitten juist tot de rand vol twijfel en zelfkritiek. Om over het trampersoneel nog maar te zwijgen:
Hij groet de conducteur in het voorbijgaan.
’Zware dag gehad, meneer Hein?’ vraagt die. Kutdag, denkt meneer Hein.
‘Ach,’ zegt hij, ‘uiteindelijk ben ik toch elke dag weer dankbaar dat ik dit werk mag doen.’
Nieuwenhuis graaft niet diep, de begripvolle blik op het menselijk geworstel doet genoeg, maar veroorlooft zich wel af en toe een cultureel uitstapje. Zoals met de pratende engelen, vrij vertaald naar die uit Wim Wenders’ beroemde film Der Himmel über Berlin. Ook al is het mooie Amsterdam vandaag de dag dan overvol, vies en op veel plekken ronduit ordinair, met de juiste literaire benadering, en zonder de rigoureuze wegopbrekingen, harddrugs en liquidaties, is er nog best wat van te maken.
André Keikes
Erik Nieuwenhuis – Lijn 1. Brooklyn – Amsterdam. 160 blz. € 19,50.
