Recensie: Maarten Doorman – Mijn vader en ik
Afwezig en ook nog zwijgzaam
Vatersuche, de zoektocht van een zoon naar zijn vader; wie was hij, hoe dacht hij, hoe gedroeg hij zich en wat is er van hem in mijzelf terug te vinden, is een eeuwenoud thema. Filosoof, schrijver en dichter Maarten Doorman (1957) noemt de aan zijn vader gewijde essaybundel dan ook gewoon Mijn vader en ik. Daar zit alles in wat het thema behelst.
Doorman weet terdege dat hij zich op al veel betreden paden begeeft, maar ieder mensenverhaal is weer anders, zoals elk kind een vergelijkbare ontwikkeling doormaakt, maar toch met persoonlijke details. Bovenal gaat er niets boven je eigen kind. En ook niets boven je eigen vader. Soms zijn er meer eigen kinderen, van een (biologische) vader heb je er altijd maar één.
Dat er nauwelijks een gespiegeld genre bestaat, Muttersuche, wordt vandaag de dag vaak uitgelegd door te wijzen op de veel voorkomende afwezigheid van de vader. Soms is die er ook helemaal niet, is zelfs niet eens duidelijk wie hij was. Soms was hij uithuizig of opgesloten in zijn eigen gedachten. Want ook dat is een vorm van afwezigheid.
Maarten Doorman is in 1957 geboren als de helft van een tweeling, die twee aspecten heb ik met hem gemeen, we schelen in leeftijd zelfs minder dan een maand, en toch is zijn onderzoek naar zijn vader onvergelijkbaar met het mijne. Hoe hij zijn jeugd en vader beschouwt komt op mij geregeld over als dat van een veel oudere generatie. Wat maar weer duidelijk maakt dat een persoonlijk verhaal niet meteen universeel hoeft te zijn. Doormans familie, waarvan de mannen lange tijd hoge militairen waren, deels levend in Indonesië, hoogopgeleid en bekend met talrijke invloedrijke anderen, is hoe dan ook niet zo mainstream.
Ook dat weet Doorman. Waar het hem vooral om lijkt te gaan is het begrijpen van zijn vader, die zachtaardige, wellevende, timide, tengere man. Een positief ingestelde leraar, die zijn leven lang een zoekende mentaliteit had, maar bitter weinig van zijn zielenroerselen prijsgaf. Ook dat is een veel gehoord verhaal over vaders: niet alleen afwezig, ook nog eens zwijgzaam. En dan gaat Doormans verbeelding aan het werk: wat ging er in die man om? Heb ik hem wel ooit begrepen en hij mij?
Maar het blijft niet bij verbeelding. Mensen van die jaren hadden er ook vaak een handje van om brieven te bewaren. Stapels en stapels, naast een in onze ogen beperkt aantal foto’s, want dat was nog lastige techniek. Geweldig, die brieven voor een onderzoekende zoon, al vraag je je meteen af hoe toekomstige zonen dat moeten gaan doen. Dochters natuurlijk ook, want toekomstige moeders zijn ongetwijfeld ook veel afweziger dan die in het verleden. Maar zwijgzaam is vandaag de dag vrijwel niemand meer. Dat helpt dan weer mee.
Het denken aan zijn vader kreeg bij Maarten Doorman pas echt urgentie tijdens een reis van zijn gezin naar Suriname, beschreven in het eerste essay, ook een stukje postkoloniaal Nederland. Geen Indonesië, waar zijn voorfamilie leefde en zijn vader werd geboren, en ook ver daar vandaan, maar op een bepaalde manier toch verwant. Het brengt hem tot vragen als: bestaat er eigenlijk wel cultuur in de tropen, afgezien van een zeldzame boekwinkel:
Sinds lang moest onderwijs in tropische landen niet alleen zijn beknot door de desinteresse van een koloniale overheid, maar tegelijk door zoiets simpels als een luchtvochtigheid van zeventig tot negentig procent.
Dat zijn grootouders hun kinderen mede om die reden naar Holland hadden teruggestuurd, lijkt Doorman opeens best plausibel. Later in de bundel komt hij overigens op dat idee terug, zich realiserend dat alleen al op Java volop kranten verschenen, er meerdere boekhandels waren, tentoonstellingen en zelfs ‘tropenpiano’s, bovendien hogere opleidingen. Dus weg eerste ingeving.
Doorman is goed in het vragen opwerpen, een antwoord zoeken en dat even later meteen weer verwerpen, zoals je natuurlijk ook van een filosoof mag verwachten. Hij lacht bijvoorbeeld eerst om een onhandig en raar klinkende opmerking van een man in de bediening bij het zwembad van zijn hotel in Paramaribo, maar neemt dat zichzelf even later kwalijk, hij herkent opeens de arrogante westerling in zichzelf.
Zoiets lijkt een zijpad in een bundel over zijn vader, maar er blijken op talloze gebieden vragen te stellen bij eigen denkbeelden en gedrag afgezet tegen het beeld dat hij van zijn vader heeft onthouden. Om ook daar onmiddellijk aan toe te voegen dat je met je geheugen niet minder op moet passen. Want wat heb je echt onthouden, wat heb je toegevoegd, bedacht of van iemand anders ergens gelezen. Zoals bij jeugdherinneringen aan meester Stomp, docent Jan Bakker en professor Joop Doorman, alledrie mannen die hem nieuwe inzichten gaven en stimuleerden na te denken over werkelijk alles. En bovendien twijfel toe te laten.
Op één thema blijft Doorman echter opmerkelijk stellig, zelfs honend en stekelig: bij geloof en spiritualiteit kan hij zich niets voorstellen. En laat dat nu net het paadje zijn, waarop zijn vader zich graag begaf, zeker op hogere leeftijd. Hoe kwam dat toch zo, wil Doorman natuurlijk weten en dan graaft hij een remonstrants verleden op van de moeder van zijn vader; ‘een sjiek soort protestanten’ in zijn woorden, die kort samengevat niet van regeltjes en opsmuk houden, maar wel van permanent zelfonderzoek om zo een beter mens te worden.
Niet bepaald een opvatting die verwerpelijk klinkt, maar toch distantieert Doorman zich er keer op keer nadrukkelijk van, al zou je geloof gemakkelijk de ultieme Vatersuche kunnen noemen. Het is een opmerkelijk afwijkende toon in dit boek, waarin hij zijn vader weliswaar kritisch en met fraaie uitweidingen naar schrijvers en maatschappelijke gebruiken even terugbrengt, maar nergens te kijk zet. Behalve dan dus op dat spirituele vlak. Hij bespeurt het zelf wel: ‘Strijd ik hier onbewust nog altijd tegen mijn vader, alsof ik Freuds oedipale kleuterfase niet achter me heb kunnen laten […]’. Maar dit standpunt wordt niet verlaten of zelfs genuanceerd.
Natuurlijk ontkomt een Vatersuche ook niet aan de laatste vraag, namelijk wat latere generaties van ons als vaders zullen vinden. Dat ook Maarten Doorman bij zijn kinderen als afwezig te boek zal komen te staan lijkt wel een beetje voor de hand te liggen, als je zijn indrukwekkende cv en bibliografie bekijkt. Maar je kunt van een vader ook niet het onmogelijke verwachten.
André Keikes
Maarten Doorman – Mijn vader en ik. Prometheus, Amsterdam. 240 blz. € 25,99.
