Weelde

Hoe is het mogelijk? Dat is de vraag die mij gedurende de gehele lezing van Theodoros, de nieuwste roman van de Roemeense ster/cultauteur Mircea Cărtărescu, bleef achtervolgen. Allereerst is het de vraag die de plot van dit boek voortdrijft. Cărtărescu vond een brief van zijn negentiende-eeuwse landgenoot Ion Ghica terug, waarin deze beweert dat een bij hem op het Walachijse platteland opgegroeide boerenkinkel het tot keizer Tewodros II van Ethiopië zou hebben geschopt. Een nogal wilde theorie, waarvoor uiteraard geen enkel historisch bewijs bestaat, maar voor een beetje romanschrijver is zo’n buitenissige hypothese natuurlijk juist ideaal materiaal om mee aan de slag te gaan. Wat als dit wel zo was gebeurd? Hoe kan ik dit waar maken?

Daarbij moet wel opgemerkt worden dat deze historische inslag een opvallende draai in Cărtărescu’s oeuvre is. Zijn werk bestond tot nog toe vooral uit meer persoonlijke romans waarin hij de onvrijwillige herinnering van Proust met de vervreemdingstechnieken van Kafka en de surrealisten leek te willen vermengen. Daarbij hanteert hij naar eigen zeggen ook al jarenlang dezelfde methode waarbij hij elke dag een nieuwe bladzijde schrijft en deze vervolgens niet of nauwelijks terugleest of redigeert. Iets wat niet alleen nogal lange zinnen, maar vooral ook veel onverwachte wendingen, hallucinante luchtspiegelingen en – voor ingewijden – prikkelende literaire kwinkslagen oplevert.

Zo bevindt de lezer zich in Theodoros het ene moment nog op een wereld ter grootte van een kogel, het volgende zit je alweer op een vlieger met uitzicht op het hemelrijk om een hoofdstuk later naast Koning Salomo en de koningin van Sjeba op te lopen. In drie levensfase en 33 hoofdstukken – evenveel als het aantal zangen in De goddelijke komedie van Dante (wink, wink) – loodst Cărtărescu je door de opkomst en uiteindelijke ondergang van Tudor/Theodorus/Tewodros II en verbindt zo het mogelijke met het onmogelijke. Wie een doelmatige historische reconstructie verwacht, komt al snel van de koude kermis thuis. Theodoros beweegt zich constant heen en weer tussen feit en fictie, mythe en waarheid en zoekt misschien nog vooral naar het moment waarop die twee elkaar lijken te raken.

Oneindig fascinerend natuurlijk, zeker in een tijd waarin onze eigen machthebbers feit en fictie ook niet altijd meer van elkaar weten te onderscheiden. Maar aan de andere kant haalt Cărtărescu, met de oneindige zijpaadjes die hij wil bewandelen en de ongelooflijke hoeveelheid kunststukjes die hij opvoert, ergens ook wel de angel uit zijn eigen project. Het verteltempo ligt zo verschrikkelijk laag – er is een reden waarom de recensie bijna een halfjaar na de publicatiedatum verschijnt – dat het soms haast lijkt alsof je naar een meesterwerk in slow motion zit te kijken. Je ziet aan alles wel dat het een meesterwerk is, maar toch wil je de hele tijd roepen: ‘Schiet toch een keer op!’

Bovendien zijn er wel meer grillen en kuren in Theodoros aan te wijzen, waar een goede redacteur ons misschien toch voor had kunnen behoeden. Zo modelleerde Cărtărescu het archaïsche taalgebruik voor deze roman bijvoorbeeld naar Salammbo van Flaubert, waarbij hij wel even vergeten leek te zijn dat zijn verhaal zich bijna 2000 jaar later afspeelt, waardoor je als lezer constant het gevoel hebt dat je je in het verkeerde tijdvak bevindt. Ook zijn de vele seksscènes in het boek van zo’n betreurenswaardig niveau dat ze eerder door een hitsige puber die iets te veel porno heeft gekeken dan door de eminence grise van de Roemeense literatuur geschreven leken te zijn. Eigenaardigheden die als je dieper graaft misschien wel iets proberen te zeggen over het mystieke, bovennatuurlijke niveau waarop dit verhaal zich afspeelt, maar die hier op aarde gewoonweg afleiden.

Maar ach, wat zeur ik ook. Wat een weelde dat zulke uitzinnige en eigengereide boeken, in een tijd waarin alles altijd maar sneller, directer en verkoopbaarder moet, überhaupt nog geschreven worden en een publiek lijken te vinden. Wat een weelde dat er vertalers als Jan Willem Bos bestaan die Cărtărescu’s koppige en zonderlinge taal zo schitterend en soepel in het Nederlands weten weer te geven. Wat een weelde dat er nog uitgevers zijn die dit soort boeken, al is het met wat hulp van het Roemeense ministerie van cultuur, ook voor de Nederlandse markt beschikbaar willen maken. Wat een weelde dat we zo diep in deze menselijke geest, met al zijn onhebbelijkheden en curiositeiten, mogen afdalen. Wat een weelde, wat een weelde, wat een weelde.

Jonathan van der Horst

Mircea Cărtărescu – Theodoros. Uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos. De Bezige Bij, Amsterdam. 656 blz. € 39,99.