De geboren schrijver

De bundel Kolommen van de Russische schrijver Nikoláj Zabolótski (1903 – 1958), lid van de dichtersassociatie Oberioe, die het absurdistische experiment niet schuwden, vooral bekend dankzij Daniil Charms, was ook in het verschijningsjaar 1929 een waagstuk. Aangenaam dat is, voor de lezer. De originele oplage was binnen luttele dagen uitverkocht.

Meestervertaler Arie van der Ent, domicilie kiezend in Hermanivka, zo’n zestig kilometer onder Kyiv, citeert in het voorwoord van Kolommen en klein proza terecht Wilhelm Küchelbecker, klasgenoot van Poesjkin, wanneer deze verzucht dat het dichterlot overal een doem is, maar dat Rusland door de eeuwen heen de grootste brokken heeft gemaakt. En dan mocht Zabolótski ‘nog niet klagen’. Hij werd niet geëxecuteerd, en werd ‘maar’ vijf jaar verbannen naar de Goelag om twee jaar daarvan te werken aan de beruchte BAM-spoorlijn van het Baikalmeer naar de Amóér. (Overigens pas in 2003 gereedgekomen!)

Zabolótski was nota bene lid van de Schrijversbond en in die hoedanigheid draaide hij mee in de mallemolen van de literaire regulering, moest zien te overleven met het vertalen van onverdachte buitenlandse literatuur en met het schrijven van systeemgetrouwe kinderboeken. Het is juist daarom van groot belang dat uitgeverij Fragment deze debuutbundel, aangevuld met stukken proza nu weer beschikbaar stelt in een schitterende gebonden versie, zoals gebruikelijk in een liefhebbersoplage.

Van der Ent gebruikte voor de vertaling de originele versie uit 1929. Er zijn in het verleden wel stemmen opgegaan om Zabolótski te scharen onder de grootste Russische dichters van de twintigste eeuw, zo’n beetje als het reservewiel aan de illustere dichterskar van Achmatova, Pasternak, Mandelstam en Tsvetajeva.

Van der Ent schetst in zijn voorwoord een gedeelte van de discussie daaromtrent. De behoefte van de mens om in te delen, te kwalificeren. Is er een breuk in het werk van Zabolótski, doet dat er werkelijk toe? Je moet welhaast een godheid, een stoa zijn om niet door een dergelijk ongewild uitstapje naar het oosten opgedeeld te raken. Kolommen neemt sowieso een aparte plaats in binnen de Russische literatuur, juist door de unieke stem, de oprechtheid, de humor, die de Russische literaire journalist en essayist Pjotr Vajl, eerder breugeliaans dan grotesk noemt. ‘De naoorlogse Zabolótski is een belerende, zachtmoedige dichter zonder de hoge vlucht in de metafysica van daarvoor.’ Soit.

Van der Ent spreekt van een ‘blijvende eendagsvlieg’, in die zin dat, ondanks dat er in 2014 nog een vuistdik VW van rond de duizend pagina’s van Zabolótski verscheen, juist de bundel Kolommen en de bemoeienis met de club jonge dichters rond Daniil Charms (wereldberoemd, in Nederland zeker) Zabolótski’s blijvende faam rechtvaardigen. De bundel verscheen aan de vooravond van de collectivisatie, het kleine venster in de jaren twintig – terwijl de rest van de wereld ‘roaring was’ – waarin kleinkapitalisme in Rusland her en der opgang vond. Zabolótski was beland in de laatste jaren van de NEP. ‘Het roversbestaan van allerhande sjacheraars en sjoemelaars was mij wezensvreemd en vijandig. De satirische verbeelding van het leven werd het thema van mijn gedichten…’

Van der Ent, de laatste jaren begrijpekijkerwijs vooral bezig met literatuur van de Oekraïners zag in de vertaling ook een kans om ‘in te zoomen op een dichter, een werk en een tijd die ons herinneren aan de afschuwelijke voorgeschiedenis van de huidige Russische Federatie’. Het verhaal van mijn detentie, waarin Zabolótski gedetailleerd ingaat op arrestatie, dagenlange verhoren, martelingen en het transport naar de Goelag dat twee ijzige maanden in beslag nam, illustreert dit zogezegd ‘aan den lijve’. Zabolótski die hallucineert na slaaponthouding, artsen die niet behandelen, maar tenminste niet martelen. Het slachtoffer dat zich een ‘bovennatuurlijk soort booswicht’ voelt, ‘hulpeloos als een gestrikte haas’, intellectuelen gevangen tussen beroepsmoordenaars.

Van oudsher de bewoners van gevangenissen en werkkampen hadden ze een diepe en oprechte minachting voor ons – de bonte, rijkgeschakeerde van het padje geraakte menigte toevallige bezoekers van de klaploperwereld. In hun ogen waren wij maar zielige creaturen die geen achting verdienden, maar de meest genadeloze exploitatie en dood.

Naast een autobiografie en het verslag van de detentie geeft het manifest Het maatschappelijk gezicht van Oberioe een goede inkijk in de beweegredenen, in de filosofie van de dichtersgroep. De gedichten in Kolommen zijn op rijm. Een hel voor een vertaler, maar Van der Ent heeft zich aan de eveneens opgenomen tweeëntwintig richtlijnen voor vertalers van Zabolótski gehouden. (Nog steeds heel goed toepasbaar.)

De vertaler heeft een weegschaal voor zich: de ene schaal is die van de auteur van het origineel, de andere die van de lezer van de vertaling. Een vertaling is goed als de weegschaal niet uit balans is.

Kolommen en klein proza is een geslaagde, belangwekkende balanceer-act, een kleinood dat inzicht geeft in een man die moet balanceren, een geboren schrijver/dichter, een tijdsgewricht, de omgang van een regime met de kunsten.

Guus Bauer

Nikolaj Zabolótski – Kolommen en klein proza. Vertaling Arie van der Ent. Fragment, Leiden. 126 blz. € 39,50.