Twee keer Drs. P

Aan Drs. P denk ik nooit meer. Heinz Hermann Polzer (1919-2015) overleed ruim tien jaar geleden, zijn echtgenote een jaar later. Als kind hield ik van zijn lied Dodenrit. Een huiveringwekkend én hilarisch lied. Al die kinderen die in de ijskoude van de Russische steppe een voor een aan de wolven werden geofferd: Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg.

En dan duikt Drs. P deze week onverwachts twee keer op.  Eerst in de ruime wachtkamer van een tandartsenpraktijk. Schuin tegenover me zit een man van in de tachtig, omringd door boeken, te wachten op de taxi. Naast hem een hoge rollator.  Hij draait dunne sigaretjes met een metalen shagroller. Inmiddels heeft hij er al vier gerold. Op zijn gemak. Je ruikt de droge geur van tabak. Nieuwsgierig bekijk ik welke boeken hij bij zich heeft. Een verzameling van Willem Wilmink; Hier ligt Poot. Hij is dood. De kortste Nederlandse gedichten, samengesteld door Robert-Henk Zuidinga; twee boeken van Drs. P: Tante Constance en tante Mathilde en Het scheepje van den Kannibaal.

‘Acht gaatjes had ik,’ zegt hij opeens tegen mij. ‘Ik moet twee keer terugkomen. Twee keer vier.’

‘Een akelig vooruitzicht,’ antwoord ik.

‘Ik zie u naar de boeken kijken. U houdt van boeken? Van poëzie? Vanochtend heb ik het kortste puntdicht van de Nederlandse literatuur geschreven. Weet u wat dat is een puntdicht?’

‘Ik heb het geweten.’ Mijn manier om hem uit te nodigen verder te vertellen.

Hij houdt het boek van Zuidinga op. ‘Zo kort als wat ik heb geschreven, bestaat niet. Hier komt-ie: Regen/ Wat een zegen. Het is zo kort, ik kon het meteen onthouden.’

Zonder op een reactie te wachten, pakt hij Wilmink erbij.  ‘Oude mensen,’ zegt hij op declameertoon en gaat vervolgens het bekende gedicht voorlezen.

Ik ken het en denk aan die keer dat ik het zelf voordroeg bij een viering in een verpleeghuis. Mevrouw M. op de voorste rij, grote ogen achter een grote bril, altijd meelevend.  De korte lach van de zaal. Haar lach die ook nu weer een tel langer duurde.

Kinderen, weet je wat zo gek is
Aan dit grappige verhaal
Over dertigduizend nachtjes
Dan zijn jullie allemaal
Oude mensen, oude mensen

Hij rolt weer een nieuwe sigaret: ‘Tegenwoordig kost een pakje shag zevenentwintig euro. Daarom gaan ze in hordes naar het buitenland, daar is het goedkoper.’

Dan staat de receptioniste naast hem. Of hij met het draaien van sigaretten wil stoppen. Het is niet passend in een wachtkamer van een tandartsenpraktijk. Vanwege de geur.

Roken mag niet, maar ook de geur van droge tabak is taboe geworden, al doet die  niemand kwaad.

‘Uw taxi komt zo. Misschien is het handig als u alvast naar buiten gaat. Via de achteruitgang, dat weet u, toch? De entree heeft trappen.’

Hij stribbelt niet tegen, maar gehoorzaamt ook niet meteen.

Tegen mij: ‘Weet u wanneer de shagroller is uitgevonden?’

‘Ik schat vlak na de Tweede Wereldoorlog.’

‘U bent warm. Heel warm.’

Een verdere uitleg blijft achterwege. Hij is geen man voor gesprek. Een man die de wedervraag van een ander altijd onbeantwoord laat.

Hij staat moeizaam op. De boeken verdwijnen een voor een in een mandje.

‘Dit is een bijzondere titel …’ Hij leest hardop met raspende stem: ‘Het scheepje van den Kannibaal. Een raamvertelling over een kroonprins. Raamvertelling…’ Hij wacht even. ‘Dat kent u? En elk hoofdstuk eindigt ongeveer zo: kinderen, nu gaat grootvader de lakeien ranselen. De volgende keer verder.’

Opnieuw staat de receptioniste naast hem; ze houdt de rollator vast als hij zijn gleufhoed opzet.

‘Regen, wat een zegen,’ zegt hij als afscheidsgroet. ‘Het allerkortste puntdicht van Nederland.’

Opeens is het stil in deze onnoemlijk saaie wachtkamer, een ruimte die naar niets ruikt.

Eric de Rooij

(Wordt vervolgd)