Recensie: Xillan Macrooy – Mensen als zonnen en mensen als manen
Een echte echte jongen zijn
Een zeventienjarige jongen vouwt een vliegtuigje van een zojuist gemaakte tekening en gooit het de lucht in, door zijn kamer, langs de ventilator, het raam uit de stad in. Lanny heet hij en de stad is Paramaribo in Suriname. Op de tekening staat een gedroomde jongen, die naar hem kijkt zoals andere jongens naar meisjes kijken en hij heeft er woorden en zinnen bij geschreven. Taal die nog niet via hem de wereld in kan hoewel hij dat wel zou willen. Dat papieren vliegtuigje symboliseert mooi de gemoedstoestand van Lanny, de hoofdpersoon in de debuutroman Mensen als zonnen en mensen als manen van de Surinaams-Nederlandse schrijver, theatermaker en muzikant Xillan Macrooy. Als tweeling opgegroeid in Paramaribo samen met broer Alvan, wonend in het blauwe huis achter de vuurrode fayalobistruiken met mama Nette, trekt Lanny zich in zijn puberteit steeds meer terug in zijn schulp.
De roman begint met een gedicht dat ‘First things first’ heet en een ode aan de jongens is die ‘ontwaken als vulkanen / en vuur spuwen als draken’, die ‘ergens tussen vluchten en vechten / waarheid hebben gevonden’, ‘voor wie dromen / gelijkstaat aan leven en overleven’, en ‘die dachten dat ze alleen waren’. ‘Dus’, concludeert de schrijver op de volgende pagina ‘voor ons, shapeshifters. Maar ook voor jou. Dat dit een spiegel mag zijn’. En als je dan die bladzijde ook omslaat, volgt een soort beginselverklaring in de vorm van een prozagedicht: ‘Mijn stad wordt gekleurd door duizenden kleine levens. Er wonen hier mensen als zonnen en mensen als manen. Ze rijzen en dalen en iedereen kent zijn plek’. Ook Lanny kent zijn plek:
En zie mij maar dwalen. Daar, tussen de dingen waar de
mensen niet over praten.
Ik ben geen zon en geen maan.
Ik heb een zonnemasker
en een astronautenpak,
dat is hoe ik overleef.
We zijn gewaarschuwd: dit verhaal gaat over iemand die zichzelf niet kan laten zien, die zijn werkelijke zelf niet kan zijn. Maar ook iemand die barst van de creativiteit die een weg moet zien te vinden in een maatschappij die daar niet vanzelfsprekend voor open staat.
Mensen als zonnen en mensen als manen leest als een langgerekte worsteling met datgene wat we als lezer natuurlijk al vanaf het begin voelen aankomen: Lanny valt op mannen. En dat is in een maatschappij waarin iedereen zijn plek kent en genderrollen vastgeroest zitten niet zo gemakkelijk als hier in Nederland. Goed, uit Splinter Chabots Confettiregen, waar Mensen als zonnen en mensen als manen af en toe aan doet denken, weten we dat het in een Nederlands progressief-stedelijk milieu ook moeilijk kan zijn om uit de kast te komen als homoseksuele jongen, maar toch. Lanny moet eerst afrekenen met het opgelegde beeld dat hij heeft van een homoseksuele man en in het reine komen met het ‘helse ding dat in mij leeft’, zoals hij het noemt. ‘Dat ding dat zich sluit om mijn keel en moddert in mijn hoofd’. Als een slang, een ‘glinsterende zwarte slang’:
Het begint rond mijn enkels, kronkelt langs mijn benen, mijn armen, mijn borst, en voor ik het weet siddert het zijn slangenzang in mijn oor – je bent ziek.
En al snel duikt dan ook dat woord op, ‘boeler’, dat scheldwoord dat met afschuw en walging gebruikt wordt voor jongens en mannen zoals hij. De herinnering aan schoolgenoot Chris zit er nog goed in, eerst de ‘futuboi’ van de ‘prodo peipa’s’ – de loopjongen van de populaire meiden – maar sinds iemand een filmpje van hem verspreidde, heupwiegend in Surinaamse klederdracht, is hij aangeschoten wild voor de ‘testosteronzombies, de alfajongens’. Een half jaar later zal hij tijdens de dagelijkse vlaggenparade ten overstaan van alle leerlingen door het schoolhoofd juffrouw Grootfaam (‘een vrouw als een roofvogel’) op zijn plek worden gezet: zij tolereert geen leerlingen die het pad van Satan willen volgen naar de verdoemenis, ‘hier wil ik geen boelers zien’. Een ijzingwekkende scene die door merg en been gaat. En op een verjaardagsuitje met de familie, noemt Lanny’s tante Peggy een cabaretier die ook dragqueen is een ‘aidsbeest’. Voor Lanny was het al duidelijk dat hij een nieuw woord wil maken voor iemand zoals hij, ‘een woord dat mij niet reduceert en platslaat. Een nieuw, schoon woord voor boeler.’
Taal speelt een grote rol in de roman. Macrooy gebruikt door zijn Nederlands ook Engels en Sranan Tongo en wisselt af in verschillende tekstvormen: chatgesprekken met Lanny’s beste vriend Levi en Grindr-dates, proza, gedichten, liedteksten, vrij vers. Dit geeft het verhaal vaart en schwung. En tussen het chronologische verhaal van de ouder wordende Lanny, staan in een ander lettertype fragmenten ‘uit het dagboek van een shapeshifter’, waarin hij scènes uit zijn kindertijd beschrijft. Warme maar ook soms pijnlijke herinneringen aan lome middagen en vakanties waarin Lanny en tweelingbroer Alvan rondhangen en spelen met vriendje Rawa en hun oudere neef Quincy. En het huis van mama Nette dat volstroomt met hun ‘elastische familie’, die niet alleen bestaat uit tantes en neefjes en nichtjes maar ook uit de halve straat en daarvoor ‘open je deuren, deel je borden, dek je bedden, geef je tijd en soms geld’. En dan wordt er flink gekletst en hoort Lanny zijn moeder iets zeggen over vriendje Rawa:
‘Vergis je niet, mijn boys doen dingen ook op hun eigen manier,’ zegt mama Nette kalm, ‘je weet dat die tweeling van me apart is, maar Rawa, Rawa is gewoon een echte echte jongen, een mannetje en dat moet je ook koesteren.’
Lanny weet dan niet zo goed wat dat is, maar hij wil liefst ook een echte echte jongen zijn. Jaren later, in de ‘Good Fellows Barbershop’, zal hij goed merken wat dat precies is en hoezeer hij niet in dat profiel past. De kapperszaak is een ware tempel van mannelijkheid:
Hier wordt het evangelie van man-zijn gepredikt, begeleid door een koor van zoemende tondeuses. (…) Hier komen broeders samen om te vieren wat het betekent om het heilige stuk vlees tussen de benen te dragen. Hier is mijn strot een dam die woorden verzamelt achter mijn tong. (…) Iedereen in de Good Fellows Barbershop spreekt volgens het script dat we hebben geërfd van onze vaders, iedereen hier volgt de regie van een ander die net een beetje meer man is.
Wat kan Lanny’s plek zijn in dit toneelstuk? Ondanks dat zijn beste vriend Levi een ‘echte’ jongen is, reageert die toch niet afwijzend wanneer Lanny hem vertelt dat hij op mannen valt. Geeft zelfs een verklaring waarom de meeste mannen boelers niet moeten hebben, omdat ze zelf onzeker zijn. Voor zijn achttiende verjaardag sluit Lanny een deal met hem dat hij voor het einde van het jaar toch eerst eens zijn tweelingbroer vertelt dat hij homo is. Het is natuurlijk geen verrassing dat Alvan ook op jongens valt en als ze samen naar Amsterdam gaan, maken ze allebei een Grindr-profiel aan.
En zo begint een nieuwe fase in Lanny’s zoektocht en worsteling met zijn identiteit. We zijn dan pas op de helft van de roman. Mensen als zonnen en mensen als manen telt meer dan 400 bladzijden en is aan de lange kant. Macrooy lijkt alles te willen vertellen, tot in elk kleurrijk detail en schrijft in een nawoord dat zijn roman ‘het antwoord op de machteloosheid van mijn jeugd’ is. Hij gebruikt de verhalen van hemzelf en zijn familie en vrienden ‘als voertuig om een groter verhaal te vertellen, over noties van mannelijkheid, mentale gezondheid, zwijgcultuur, en opgroeien als queer kind in Suriname’. Daar is hij ruimschoots in geslaagd: Mensen als zonnen en mensen als manen is een bijzonder rijk, sprankelend boek, gelaagd ook, triest, geestig, vol verhalen en referenties aan Surinaamse auteurs die hem voor gingen. Zoals een auteur als Edgar Caïro, die eerder al het Sranan Tongo door zijn Surinaams-Nederlands vlocht en met zijn ‘boelgedicht’ de boeler een plek gaf in de Surinaamse en Nederlandse literatuur. Macrooy vond dan geen nieuw woord voor boeler, maar wel een vat vol kleurrijke verhalen die niet meer weg te denken zijn.
Martijn Nicolaas
Xillan Macrooy – Mensen als zonnen en mensen als manen. Uitgeverij Blauw Gras, Amsterdam. 432 blz. € 23,99.