Twee futen

Ik woon in het centrum van Haarlem, aan een baai in het Spaarne, recht tegenover de stijlvol herbouwde molen Adriaan, die in 1932 in een laaiende vlammenzee tot de grond toe afbrandde, zoals op foto’s in restaurant Zuidam nog te zien is. Dat deze nieuwe versie pas in 2002 tot stand kwam, sierde de diverse Gemeentebesturen zeven decennia achtereen niet, maar het resultaat is een sieraad voor de stad. Een bakstenen onderbouw omgeven door acht zware steunberen en daarboven de zich in een sierlijke lijn verheffende groen-houten romp, eindigend in een cirkelvormige balustrade, van waaraf de molenaar de zeilen van de wieken met het op ingenieuze wijze bedienen van touwen kan uitrollen of opdoeken en van waaraf toeristen een fraai uitzicht geboden wordt over het Spaarne, in beide richtingen, en de Nieuwe Gracht richting Leidsevaart.

In deze baai, die is ingericht als passantenhaven, verblijven sedert enkele dagen twee futen, die duidelijk plannen hebben om de futenstand in de nabije toekomst te versterken. Hun uitgebreide baltsrituelen zijn een lust voor het oog, waarbij het woord lust dus voor ons drieën geldt, zij het met een verschillende lading.

Een fuut leeft zijn hele leven op het water, duikt er in naar de diepte op jacht naar voedsel en drijft slapend. Zijn poten zijn ook niet bedoeld om op te lopen, maar bestaan uit lobben die de voortstuwing kennelijk beter aandrijven dan zwemvliezen. Hun kop doet denken aan die van een vos: spits en alert. De eend (op zich ook een prachtig gebouwde vogel en in die zin zwaar onderschat) is vergeleken bij de fuut een soort wammes waggel. En anders dan de meerkoet of de meeuw maakt de fuut nooit herrie of stampij. Wat de fuut wel doet, vermoedelijk het mannetje, is zijn partner een gevangen visje aanbieden, dat ze eerst in haar snavel overneemt en dan weer teruggeeft. Dat kan zo even doorgaan. Een zilver visje, heen en terug, totdat een van de twee (zeker het vrouwtje) het inslikt.

*

Futen hebben geen gevoel voor humor, maar in de hitte van het definitieve besluit dat ze bij elkaar gaan blijven, richten ze zich tegen elkaar op en schudden dan beide heftig met hun kop van nee. De een schudt nee, de ander schudt net zo fel nee terug, alsof ze het aan het uitmaken zijn. Dit kan minutenlang doorgaan, maar wat zo’n futenpaartje niet ziet, en de genietende toeschouwer wel, is dat er in de bewegingen van hun beide halzen, een duidelijk waarneembare hartvorm ontstaat.

Ik zag het gisteren; ze bevonden zich in het midden van de baai en ik begreep dat het nee schudden een liefdesverklaring was, bezegeld in de vorm van een hart, waarvan ieder de helft leverde.

Ze zijn nu weg, vermoedelijk richting de Mooie Nel, een plas aan de noordkant van Haarlem, met stille rietkragen, waarin een nest zich haast als vanzelf aanbiedt.

L.H. Wiener