Recensie: De Klimaatdichters – Tongval van het verdwijnen
Verzadiging schuilt hier in overrompeling
Taal doet ertoe. Het voornaamwoord ‘hen’ is aan mensen voorbehouden. Over dieren en planten mogen we officieel niet zeggen: ‘Hoe we hen behandelen, draagt bij aan hun uitsterven.’ Het moet zijn: ‘Hoe we ze behandelen, draagt bij aan hun uitsterven.’ Blijkbaar moeten dieren en planten gescheiden worden van mensen. Daar doen de Klimaatdichters niet aan mee. Zij nemen in de dichtbundel Tongval van het verdwijnen tal van niet-menselijke perspectieven in om de kloof tussen mens en natuur te overbruggen. Omdat flora en fauna niet voor zichzelf kunnen opkomen, in ieder geval niet tegen de vernietigende kracht van de mens, spreken dichters als Jens Meijen, Joke van Leeuwen, Maud Vanhauwaert, Alfred Schaffer en Miek Zwamborn, verenigd in het collectief de Klimaatdichters, voor ze (of hen). Ieder van hen heeft een bedreigde of al verdwenen soort gekozen. Zo dicht Meijen vanuit het perspectief van de uitgestorven Chinese vlagdolfijn, ontfermt Tijl Nuyts zich over de plofkip, componeert Vanhauwaert een ‘koraal van de stervende koraal’ (voor sopraan, alt, tenor, bas en nog diepere bas) verplaatst Schaffer zich in de Kaapse dwergkikker.
De in totaal 50 soorten die in de gedichten aan het woord komen, vormen een meerstemmig koor dat evenzovele malen van sterven en overleven vertolkt. Bij alle gedichten maakte Babette Wagenvoort een tekening. De eerste bundel van de Klimaatdichters, Zwemlessen voor later (2020), bevatte 160 gedichten, 90 meer dan Tongval van het verdwijnen. ‘Verzadiging schuilt hier in overrompeling’, om de laatste regel van Emma Crebolders gedicht over de vleugelnootboom in Tongval te citeren. De vleugelnootboom heeft geen eetbare vruchten en neemt veel ruimte in, en is daarmee de antipode van de plofkip die in het prachtige gedicht ‘Levensruimte’ van Tijl Nuyts aan het woord is. De aangesproken mens, die de plofkip de leefruimte van minder dan een A4’tje gunt, heeft zijn mond vol van
dierenrechten en van mij,
mijn billen, mijn borst, zelfs mijn zachte grijze hart
laat je in je keel glijden.(…)
Een volledige ik
zes euro, een halve drieënhalf.Bij de psycholoog leer jij stap voor stap
ruimte innemen. Ik woon op deze tegel,(…)
Jij schrijft en ik groei op, klein kuiken
in zes weken dik. Ik beweeg niet,
spierloos ben ik, ik slik, zwel
en slik maar ik pas nog net
in dit gedicht.
En dat de meeste leghennen in Nederland een gebroken borstbeen hebben (ook de biologische en vrije uitloopkippen) omdat ze zo jong mogelijk zo groot mogelijke eieren moeten leggen, laat Nuyts, die een roman schreef vanuit het perspectief van een naakte molrat, nog achterwege in dit overrompelende gedicht.
Ook de baiji, de Chinese vlagdolfijn, is verminkt. Ze hebben blaren op hun ogen gekregen van de vervuiling in de Yangtze, hun voornaamste leefgebied. De soort is begin deze eeuw uitgestorven. Jens Meijen geeft in ‘Als de maan in water’ het laatste exemplaar een stem:
De anderen zijn allemaal vertrokken, bleek als bot.
De rivier spreekt niet meer. Een loden deken.
Meijen verplaatst zich niet alleen in de dolfijn maar geeft ook de stervende dolfijn inlevingsvermogen. Het dier is niet rancuneus en wil zelfs nog weten:
hoe het is om als de maan in water te verzinken,
een stil en doof gewicht te zijn?
Ik had het willen vragen.
Ook om het lot van de vissers maakt de dolfijn zich nog zorgen. Zij blijven achter, hoe zal het hen vergaan? De scheidslijn tussen ‘ze’ en ‘hen’ is hier volledig opgeheven.
Niet alle soorten berusten zo stoïcijns in hun lot. ‘Je bent een gif voor mijn rif,’ roept het koraal in ‘Koraal van de stervende koraal’ van Vanhauwaert de selfiemakende duiker (‘met je krampachtige duckface’) toe. ‘Raak mij niet aan / laat mij niet verder verbleken’. Het koraal leeft nog, maar alleen als de mens het mijdt kan het overleven. Hier is afstand tussen mens en bloemdier noodzakelijk.
Kunnen de soorten schrijvers wel vertrouwen? Ook zij maken immers deel uit van de vernietigende soort. ‘Ik ben geen symbool. Ik wil geen spiegel zijn, geen metafoor,’ zegt de naakte molrat in Nuyts’ roman Grondwerk, winnaar van de Vlaamse literatuurprijs de Boon, tegen de mens in zijn leven.
Misschien verzin je gewoon je eigen verhaal. Een verhaal dat je, eenmaal je mijn getuigenis hebt opgeschreven, in de huls van mijn woorden duwt. Doet die tekst (…) wel recht aan wie ik ben? Wie weet boetseer je me in een vorm, een holle mal waar ze allemaal precies in passen: jouw zorgen, jouw twijfels, jouw verlangens. Arme homo sapiens.
Het wantrouwen van de molrat is te begrijpen, maar betere vertegenwoordigers dan de Klimaatdichters kunnen de soorten zich niet wensen. De gedichten in Tongval van het verdwijnen zijn stuk voor stuk integer, raak, mooi en speels, en – minstens zo onbelangrijk – niet te boodschapperig.
Marie-José Klaver
De Klimaatdichters – Tongval van het verdwijnen. Gedichten vanuit niet-menselijk perspectief. Geïllustreerd door Babette Wagenvoort. Pelckmans, Kalmthout. 141 blz. € 22 euro.

