‘starend in het wak van wat als dat niet waar is’

Je kunt even verdwijnen, ook als je zichtbaar bent voor iedereen, zo zegt het motto van Patti Smith in de nieuwe bundel Tussen mij van Maria Barnas. Misschien kan dat, omdat we uit zoveel personen bestaan? Alleen als je ‘mij’ als meervoudig beschouwt, kun je je immers iets voorstellen bij ‘tussen mij’, tenzij je er nog iets achter denkt, zoals in het titelgedicht ‘de afstand tussen mij en mijn / te wijd de afstand / tussen mij’. Het is alsof in deze bundel geregeld een wig gedreven wordt tussen de verschillende verschijningsvormen van de ik.

De leugen is een symptoom van die gespletenheid. In het openingsgedicht ‘sssjr’ staat de tuin vol leugens. Eerst maai je om de dove slakken heen en vervolgens gooi je ze met een boogje over de sloot. Je knijpt net hard genoeg om grip te krijgen, ‘zacht genoeg om niet dood.’ De ambivalentie is in de hele bundel voelbaar. Ook in de taal zie je die terug:

Het zijn niet de doden die vallen
zeggen de moeders.

Het zijn de doffe bomen in een rij
die te lang meebogen.

Het zijn de wakkere kinderen
van wie de moeders van wie

de kinderen van wie
zijn de vogels

die te lang bomen mijn hoofd blijven
haperen doelgericht wegscheren

De betekenis van de zinnen verandert naarmate je verder leest. Je rolt van het ene spoor in het andere en juist dat is veelzeggend. We roepen maar wat, zonder te weten of we het wel bij het rechte eind hebben: ‘Iedereen / is een moeder sussen de moeders // starend in het wak / van wat // als dat niet waar is.’ We voelen allemaal dondersgoed hoe we voortdurend misgrijpen naar die waarheid.

De ik wil een vogel laten zien aan een man die ze wil kussen, maar op het moment dat hij haar verwacht, wil ze hem niet meer kussen. Dan scheurt de vogel zich los uit haar handen. Het gevoel van in alle vrijheid en onbevangenheid de ander te kunnen benaderen, wordt kapot geknepen op het moment dat het door de ander al verwacht wordt.

Ook humor ontbreekt niet. In ‘Wil je mijn obstakel zijn’ blijkt dat ook de ander in jou verschillende verschijningsvormen kan zien, zoals de kleine voetballer in zijn moeder een handig obstakel ziet voor zijn spel: ‘Je hoeft alleen maar in de tuin te staan.’ En als de moeder zich een beetje nutteloos begint te voelen, staat er:

Moet ik niet op je afkomen bied ik aan
of af en toe een voet uitsteken?
Hij is me al drie keer voorbij gedribbeld.

Nee hoor je bent een goed obstakel.

Hij rent weg.

Het goede obstakel blijft achter

Heerlijk ook hoe Barnas de taal los rammelt. Vaak ontbreekt de punt aan het slot van een gedicht, soms ontbreken er voor je gevoel hele woorden. In de afdeling ‘Ben je de paarden weer aan het vermijden?’ brokkelen er zelfs af en toe letters van woorden en zinnen af. Heel mooi gebeurt dat in ‘Raakgodin’, waar de ‘w’ is losgeraakt. Het is een genoegen om het verschil tussen ‘raakgodin’ en ‘wraakgodin’ te voelen. Het scheelt slechts een letter, maar toch. Er wordt een prachtig beeld neergezet van vrouwen die deze ‘w’ hebben verloren en daarom tranen van afscheid in een vaas verzamelen: ‘Het is maar een zw / ervende baarmoeder zeiden ze / wanhopig op zoek naar een kind.’ Verderop vullen ze alle vazen met ‘holte’ en dan eindigt het gedicht heel spitsvondig met:

zullen de vragen
met de kracht van w
raakgodinnen een kleurverloop
doen opvlammen in onze woede

om hoe ons het zwijgen werd

Voor mij kan een bundel met één mooie regel al genoeg zijn om hem in mijn boekenkast te zetten, in de wetenschap dat ik de regel steeds opnieuw even aan mijn hart zou kunnen drukken, maar deze bundel bevat zoveel prachtige regels dat het onwaarschijnlijk veel mooie betekenissen regent. In ‘Pillen en sneeuwvlokken’ vertelt de ik hoe ze hield van een dichter die altijd bang was. Ze vraagt zich af waar ze precies van hield, misschien wel juist van ‘zijn angsten die de mijne / deden verstommen?’ De kwetsbaarheid van de liefde is zo goed voelbaar, juist door die ambivalentie die overal in doordringt. Door Barnas’ geraffineerde taalspel kan een betekenis binnen enkele regels in het tegendeel omslaan.

Ook ‘Tuinen’ is zo’n parel: een moeder die wit tussen de lakens in de tuin is. Wat er dan met de lakens, de moeders en de dochters gebeurt, is een wonderschoon raadsel. Wil je weten hoe zacht de dood tussen de trompetten in de bek van de hond kan zijn? Lees ‘Trompetten’. Het mooist van alle gedichten vind ik misschien wel ‘En ondertussen’, waarin de stilte zonk als een schip onder het huis. Uit zulke gedichten wil je eigenlijk niet meer vertrekken.

En daar sta je dan als lezer met je armzalig kleine parapluutje om die waanzinnige stortbui van schitterdichtdruppels op te vangen. Onmogelijk om je ertegen te beschermen! Onherroepelijk word je geraakt, geraakt en nog eens geraakt, tot je zo poreus bent dat je zelf een beetje uit elkaar begint te vallen en voelt hoe er overal ruimte is ‘tussen mij’.

Dietske Geerlings

Maria Barnas – Tussen mij. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 88 blz. € 22,50.