In het schuitje

Literatuur is bij uitstek geschikt als empathiemotor, om voort te borduren op gegevens, de feiten te toetsen, de menselijke maat te nemen. Af en toe kom je boeken tegen die écht laten zien wat fictie vermag. Rubberboot van de Franse filosoof en schrijver Vincent Delecroix is zo’n werk.

Tijdens de coronaperiode stierven er op het Kanaal in een nacht zevenentwintig migranten van een en dezelfde overladen rubberboot. Zoals met regelmaat vluchtelingen in de golven blijven die meestal met ondeugdelijke vaartuigen van welke kant dan ook het fort Europa proberen te bereiken. Wrakhout dat vaak genoeg door mensensmokkelaars als verdienmodel wordt gezien, mensen die willens en wetens de zee worden opgedreven. Terwijl de gehaaide types voor hun eigen gemoedsrust het nummer van de hulpdiensten meegeven, terwijl ze bekend zijn met de gevaren van drukbevaren scheepsroutes en stormen.

Hulpdiensten die worden overladen, waarbij de noodkreten routine worden. De pers die het in een achterafkolom plaatst, een groeiend aantal Europeanen die er de schouders over ophaalt, ergens het wel best vindt dat de grens niet wordt overschreden. Totdat er een schuldige moet worden aangewezen.

Het omkomen van zevenentwintig mensen is het startpunt van de roman. Delecroix laat er een waarschuwing aan voorafgaan. ‘Afgezien van de informatie die door de nieuwsberichten openbaar en bekend is, is de tekst die volgt een werk van pure fictie.’ De vermenging van feit en fictie maakt Rubberboot juist zo intens, zo indringend, confronterend. Een moderne J’acusse.

De vrouwelijke wachtpost van de Franse hulpdienst Cross die dienst had toen de rubberboot zonk en waarvan de opvarenden op twee na verdronken, wordt door een eveneens vrouwelijke politiecommissaris ondervraagd. De vorm waarin dat gebeurt – afgezien van de driedeling als bij een ‘Grieks drama’ – is bijzonder omdat het eigenlijk een spiegelgevecht is van de beschuldigde medewerkster met zichzelf. De commissaris is niet voor niets een evenbeeld. Iemand die een zondebok nodig lijkt te hebben, die geen behoefte heeft aan de nuancering van de vrouw.

Hoe benader je een noodsituatie wanneer deze dagelijkse kost is geworden, kun je dan nog empathie opbrengen, moet je niet juist heel ‘professioneel’ handelen, je gevoelens uitschakelen? ‘Ik had kunnen zeggen: Ze zijn overal, vannacht, figuren zoals jij, veertig Titanics tegelijk, die schijnbaar in het Kanaal zinken, en ik kan er niet voor iedereen tegelijk zijn.’ Het probleem is nog gecompliceerder door de verschillende internationale wateren. Bevindt het vaartuig, de rubberboot of welke schuit dan ook zich in nood in de Franse of in de Engelse territoriale wateren.

Daarna was ik teruggekeerd naar mijn computer, de beeldschermen, de microfoon, bedenkend dat ze vast wel blij waren, die groep, ze wilden naar Engeland en daar waren ze nu, in Engelse wateren, op een Brits schip, onder Britse reddingsdekens, als snoepjes ingepakt in goudpapier…

Maar helaas voerde de stroming hun lichamen terug naar de Franse kust en ‘dreven’ ze nu rond op het bureau van de onderzoekster van de maritieme gendarmerie. De Cross-medewerkster is de enige die binnen is gestapt, die gereageerd heeft op de oproep. Haar collega, die liever een boek leest tijdens zijn dienst – die zich dus in de fictie verbergt – heeft die stap nog niet genomen, is nog niet zo ‘dapper, gewetensvol’ geweest.

Delecroix weet je echt bij het ‘verhoor’ te betrekken, bij het dilemma van de medewerkster. Terwijl ze er min of meer van beschuldigd wordt ijskoud, cynisch te zijn, laat ze wel degelijk een worsteling zien.

…je zou kunnen zeggen dat ik nooit een voorstelling mis, iedere avond kom ik kijken naar het Migrantendrama, ik heb een gratis plek, ik word zelfs voor betaald. […] in feite is het steeds dezelfde die me iedere nacht belt, met dezelfde stem en dezelfde smeekbedes… […] avond na avond keert hij terug, waardoor je dus het gevoel krijgt dat het zo door zal gaan tot het Laatste Oordeel…

De vrouw krijgt natuurlijk het bandje met de opnames te horen. Maar dat is haar werkstem, de afgemeten stem die ze nodig heeft om elke nacht rampen af te kunnen handelen. Je vraagt je af wat eigenlijk het daadwerkelijke doel is van het psychologische spel dat de onderzoekster speelt – good cop, bad cop – met strikvraag na strikvraag, met vragen over haar privéleven, over haar overtuigingen. Eigenlijk is de Cross-medewerkster te eerlijk, waarschijnlijk te expliciet voor de onderzoekster, die waarschijnlijk alleen op een spijtbetuiging uit is, fijn eufemistisch ‘licht op de zaak wil werpen’, verbaast reageert op haar uiteenzetting ‘zonder veel empathie’.

Daartoe is zij opgeleid. Ze reageert vanuit een functie, niet als individu. Heeft met de werkdruk, de armada van krakkemikkige scheepjes, geen tijd om ‘mee te huilen’ over het wereldleed, moet nu eenmaal schiften, heeft maar een beperkt aantal middelen ter beschikking, is daar om hulpacties op te zetten. Het is juist het algehele gebrek aan empathie dat hier ter discussie staat. De vluchteling die al gestrand is voordat hij of zij is verdronken. (Overdrachtelijk ook de sloeber in een kartonnen doos bij de ingang van een kantoorgebouw.)

Ik deal alleen met het naakte leven. […] De waarheid, zei ik, is dat je om mensen te redden niet aan hen moet denken en geen omgang met hen moet hebben alsof het aparte individuen zijn. Wij redden levens, geen individuen.

Feitelijk worden alleen de woorden van de vrouw gewogen, hoe ‘zakelijk’, hoe ‘afgemeten’ ze had gereageerd. Hoe de mensheid in het algemeen reageert op vluchtelingenleed. Wat kan een mens, wat kunnen de paar hulpverleners feitelijk uitrichten? De commissaris kan ook niet zeggen wat ze had moeten doen.

Hun gezichten, hun levens voorstellen, hun vaderlanden, hun redenen, de lange weg van de een, het gelaat van de ander, het huis of de akker of de ouders van een derde.

Het ‘samen huilen’ had hen niet gered, maar had naar het idee van de commissaris kennelijk wel de vrouw kunnen redden. De ondervraagde lijkt afgestompt, een cynicus, maar is tenminste wel iemand die aan zelfonderzoek doet, die haar geweten laat spreken. Met een paar bemoedigende woorden richting de drenkeling had ze hem, zichzelf, had ze de mensheid gerust kunnen stellen. Als een soort doekje voor het bloeden, voor het vollopen van de longen. Een reddingsboei alleen van woorden.

Het tweede deel kun je zien als een intermezzo. Degene die veertien keer met zijn mobiel heeft gebeld drijft in zijn zwemvest middenin een groepje drenkelingen. Een doodstrijd zonder dat ze er zich meer bewust van zijn. Hier blijkt dat hij eerst de Engelse hulpdienst had gebeld, die, omdat ze zich waarschijnlijk nog in Franse wateren bevonden, had gelast Cross te bellen. In dat ‘waarschijnlijk’ ligt een hele wereld verscholen. Het grote afschepen. Langzaam wordt het licht. ‘De nacht zou hen met tegenzin aan het leven overdragen.’

Delecroix is uiterst effectief, zonder echt op literair winstbejag uit te zijn. Hij heeft een heldere, overtuigende stijl, met af en toe, precies gepast, een poëtische nuance. Uiteindelijk lijkt juist de beller op het laatste moment gered te worden. ‘Als ik in Engeland ben, ga ik in een supermarkt werken.’

In het derde deel komt de medewerkster van de Cross weer aan het woord, inmiddels officieel geschorst. Zij legt eigenlijk als enige rekenschap af, misschien wel voor iedereen, voor de lezer ook. Zij is geboren aan de kust, kent de zee al van jongs af aan. De zee, waarover vaak lyrisch wordt gesproken, ziet zij als het kwaad, als ‘de dader’. ‘Want het kwaad, dat is de zee. De zee en de nacht met elkaar gemengd.’ De zeeën, die als enige niet door de mens zijn te temmen. Het water dat alles zou opslokken als het vasteland niet zoveel weerstand bood. Een zienswijze die bij de commandante bespottelijk en wanhopig zou worden opgevat. Het doorschuiven van schuld naar de elementen, naar de voorzienigheid zo men wil.

In dezelfde nacht waren er door de Engelse hulpverleners ruim negentig mensen gered. Een idiote opbiederij, die de ontmenselijking maar weer eens duidelijk maakt. Het zou eerlijker zijn wanneer er, als er al een oordeel zou moeten worden geveld over deze nacht, over deze vrouw aan het scherm en de microfoon, om naar jaren van opnames van haar werk te luisteren. De duizenden die wel zijn gered.

De onverwachte twist die volgt, zet ook het eerste deel op z’n kop, tilt het boek naar een totaal ander niveau. Om met het motto van Pascal te spreken. ‘Vous êtes embarqués.’ We zitten allemaal in het schuitje. Er bestaat geen schipbreuk zonder toeschouwers.

Zelfs als in de omtrek van duizenden zeemijlen geen sterveling te bekennen is… […] de kust vanwaar gekeken wordt is nooit ver weg, zelfs als de afstand tegelijkertijd oneindig is. Zelfs wie zijn ogen sluit, kijkt nog.

Guus Bauer

Vincent Delecroix – Rubberboot. Vertaald door Hester Tollenaar. Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam. 136 blz. € 20,99.