De biografie van de Groningse schrijver Nanne Tepper (1962-2012), getiteld Zo rijk en zo allesverpletterend van Lodewijk Verduin werd maandag 10 mei 2026 gepresenteerd in Forum Groningen. Columnist en journalist Herman Sandman van Dagblad van het Noorden, die evenals Tepper opgroeide in de Veenkoloniën, las daarbij een column voor, met voor Tzum een aangepaste eerste en laatste regel.

Mijn relaties met Nanne Tepper is uitstekend samengevat in één regel op pagina 418 van zijn biografie. Daarin schrijft Lodewijk Verduin dat ik net als romancier Daniël Rovers jaarlijks De Eeuwige jachtvelden herlees.

Oftewel: ik ben geen vriend, of een kenner van zijn werk, gewoon een fan.

We delen wel een jeugd in de Veenkoloniën, maar ik kom uit Stadskanaal en Nanne groeide op in Hoogezand en Veendam. Dat zijn echt andere werelden. Knaalsters, Hoogezandsters en Veendammers blijven ook het liefst uit elkaars buurt. Niet eens omdat ze elkaar haten: ze vinden elkaar gewoon niks.

Trouwens, ik ken Hoogezand goed en het beeld van die plaats als een Verloren Paradijs, zoals Nanne dat bleef schetsen, herken ik eerlijk gezegd niet.

Naast dat ik met DVHN-collega Louis van Kelckhoven Uitgeverij kleine Uil zover kreeg om de columns van Nanne in de bundel Van de kansel uit te geven, ben ik één van de weinigen die hem geïnterviewd hebben.

De roman De vaders van de gedachte was genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en dat leek me mooi nieuws voor huis-aan-huisblad De Veendammer, waarvan ik redacteur was. Toen ik de uitgever belde voor een foto bij het artikel waren ze stomverbaasd: ‘Heeft Nanne een interview gegeven?’

Ik wilde hem graag spreken, want zijn debuutroman, De eeuwige jachtvelden, was zo geweldig mooi. Beter dan wat ook tot dan in en over Groningen geschreven. Nanne had wereldliteratuur van de Veenkoloniën gemaakt en wat nog meer verraste: ons aangeboren en anders er wel in geslagen negativisme, samengevat in ‘t was niks’, ‘t is niks’ en ‘t wordt niks’, bleek in de letteren gewoon een stijlvorm: zwarte romantiek.

Waarom hij het interview toezegde wist ik niet. Maar op een avond zat ik tegenover hem in zijn schrijverskamer. Alles ademde een volledige overlevering aan het geschreven woord. Zijn boeken, zijn gerook, zelfs in hoe hij zijn flesje bier vasthield zag ik literatuur.

Wat hij allemaal vertelde begreep ik amper. Dat lag aan mij. Ik begon net Hemingway te begrijpen, terwijl Nanne, zoals hij zei, tijdens de nachtelijke schrijfuren ‘in gesprek’ ging met zijn helden: Nabokov, Faulkner, Baudelaire.

Ook ongekend. In de Veenkoloniën is begeleid wonen doorgaans het hoogst haalbare voor mensen die met beroemde doden praatten. Maar hij werd een voorbeeld.

Ik las en herlas alles van en over hem en heb hem een tweede keer gesproken. Na het verschijnen van De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. Ik werkte toen voor huis-aan-huisblad de Groninger Gezinsbode en wilde weer een interview.

Ook omdat hij met een grote roman bezig zou zijn. Een interview ging niet, meldde de uitgever. Doe hem dan maar de groeten, besloot ik en tot mijn verbazing kreeg ik een mailtje van Nanne.

We schreven wat heen en weer en dat leidde tot een kopje koffie. Ik wist wederom niet waarom hij mij verwelkomde, ik kon me niet voorstellen dat hij mij beschouwde als een geestverwant en het gesprek werd wederom eenrichtingsverkeer. Hij vertelde, ik luisterde en zei af en toe ‘oké, of ‘goh’.

Er zat toen wel een andere Nanne tegenover mij. Vanwege het ‘gedonder in zijn hoofd’ deed hij ‘s nachts helemaal geen oog meer dicht. Zijn ziekte bleek een point of no return gepasseerd. Schrijven was onmogelijk. Zelfs lezen lukte amper.

Tussen het roken door toonde Nanne zich uitgesproken als altijd. Ook naar vrienden, met wie hij was gebrouilleerd. Er was inderdaad een idee voor een grote historische roman, maar het was duidelijk: die zou nooit verschijnen.

Toen ik hoorde dat Nanne een einde aan zijn leven had gemaakt, was ik niet verbaasd. Ik had alleen gehoopt dat hij het niet zou doen. Want ik weet niet of hij dood wilde. Hij wilde niet verder leven, maar volgens mij zijn dat twee verschillende dingen.

Een opmerking van hem zal ik nooit vergeten: Niemand zit op je te wachten.

Hij zei dat in een interview met journalist Bram Hulzebos van toen Nieuwsblad van het Noorden in het programma Literair Lokaal van de Schrijversschool.

Niemand zit op je te wachten ligt in het verlengde van de Veenkoloniale wijsheid: ga ervanuit dat het niks wordt, dan valt het altijd mee.

Ik had er zelf van gemaakt: niemand zit op je te wachten, maar dat betekent niet dat je het niet kunt proberen. Het is min of meer mijn levenshouding geworden.

Rense Sinkgraven van het Forum duikelde dat interview een dikke week geleden op en toen las ik dat het citaat iets uitgebreider was en Nanne min of meer hetzelfde zei:
Niemand zit op je te wachten als je begint. En zelfs als je beroemd bent, zit er niemand op je te wachten. Ook op Harry Mulisch niet, behalve dan een paar gekken bij de Volkskrant. Je moet er zelf op zitten te wachten.

Het lukt mij nog niet om met dode helden te praten, maar ik ben hem nog altijd dankbaar voor dat on-Veenkoloniaals advies.

Herman Sandman