Ontmoetingen: Lunchen met Gerry van der Linden

We ontmoetten elkaar voor het eerst op een januari-avond in Veenendaal en nu drie maanden later sta ik vrijdagsmiddags, een half uur te vroeg, in haar woonkamer, naast het oude bureau van haar moeder, met uitzicht op gracht en metrostation Nieuwmarkt. De tafel is gedekt. Uit de open keuken de geur van tomatensoep. Ik kijk naar alle kunstwerken aan de muur, de fraaie hoeden die er hangen en die vast ook een verhaal hebben, en vertel ondertussen over de ongelukkige val van R., tijdens onze vakantie op Gran Canaria. Schouder uit de kom. Met de ambulance naar Hospitales San Roque, stapvoets, vanwege de pijn en de vele hossende carnavalsgangers op straat. Ook Gerry van der Linden (1952), dichter, schrijver en beeldend kunstenaar, maakte eens een behoorlijke val. Bij het achteruit rolschaatsen op een landweg in de Bourgogne. ‘Ik was toen ook al in de vijftig,’ vertelt ze. Ze laat me haar pols zien die de val opving, sindsdien dikker dan haar andere pols. Ik zag eenzelfde overmoedigheid bij R., alsof hij, toen hij de blauwe mat over het zwembadwater probeerde uit te rollen, zichzelf nog ervaarde als twintiger, gezond, soepel en atletisch, terwijl ik al bij zijn eerste stappen op het water zag dat het mis zou gaan. Ook ik vergeet zo vaak mijn leeftijd als ik weer eens mijn sportschoenen aantrek.

Hoe kon het dat ik zo lang niets van Gerry had gelezen, dat ze voor mij zo lang onder de radar bleef? Na onze ontmoeting in Veenendaal las ik haar laatste bundel Niemand blijft het langst, uit 2021, en haar kleine roman Dolk uit 2000. Proza om langzaam te lezen. Poëzie om langzaam te lezen. Niets hapsnap. Een nieuwe bundel ligt gereed, haar dertiende inmiddels, vertelt ze, en ze werkt aan haar memoires. Ze heeft veel te vertellen, dat blijkt wel als we aan tafel gaan zitten. Een speelse geest, een zwervende geest. Al vroeg in haar leven op eigen benen, een eigen weg gaan, ver van huis, gekozen voor het schrijverschap. Ze debuteerde in 1978, dus erg jong nog, met De Aantekening en keerde terug naar Eindhoven, haar geboortestad, om haar bundel aan haar ouders te laten zien. Kijk! De blik van haar vader, trots.

Ik smeer een boterham met roomboter, mijn guilty pleasure, en denk terug aan haar werkkamer, die ze me bij de korte rondleiding door haar huis liet zien. Het kraaiennest, de torenkamer – woorden uit haar poëziebundel, die met gemak kunnen slaan op haar werkkamer met een heerlijk uitzicht over het hart van Amsterdam. Honkvast, zwervend, allebei. Maar vooral plezier beleven aan het zwerven. Naar de Verenigde Staten, naar Portugal, naar Frankrijk. Openstaan voor ontmoetingen. De fotograaf Luís Branco die foto’s maakte bij haar Portugalgedichten in Een vreemdeling in Alentejo, een foto van de jongere auteur met strepen schaduw over haar gezicht, foto’s van de kleine kunstwerkjes die ze maakte van wat ze op straat vond. Évora, Lissabon, eens liep ook ik daar.

Moeder van het Water
In je heilig huis van water
ontvang je mij

In je doorschijnend badpak
op een schoongelikte vlonder
wenk je mij naderbij

al het water uit de bergen
stroomt naar jouw schoot

die gratie verleent
aan de fonteinen van Lissabon

Wat is je waterval bevolkt

kalksteenmonsters stoeien
tussen algengroen en varens

Van Portugal staan we opeens in een oude Franse hoeve, carrévorming, met poort en binnenplaats. ‘Mijn ideale huis,’ zeg ik voorzichtig. Bewoond door mensen van wie ik hou. Eens woonden hier twee broers. Na de dood van de jongste stond het meer dan een jaar leeg. De kamer van hun jonggestorven moeder hadden ze dichtgespijkerd, om daar nooit meer te komen. ‘Een geheime kamer, ik was er nieuwsgierig naar,’ vertelt Gerry. De deur werd geopend naar een ideale ruimte met uitzicht op de binnenplaats en tegelijkertijd op het Franse platteland. Even verwacht ik een verhaal over verbouwingen en renovaties, maar dan waait een kille wind door de bevrijde kamer. Bloed spat tegen de muur. Een ritueel van uitdrijving volgt. Intuïtief. ‘Ik heb een katholieke achtergrond,’ zegt Gerry. ‘Later zeiden dorpsgenoten dat ik ook gewoon de pastoor had kunnen vragen.’ Ze had de contouren gezien van een van de zonen, een bozig gezicht. ‘Het huis is niet meer van jou, je moet gaan.’ Ze bleef het herhalen tot de kilte de kamer verliet.

Ik denk aan Kwaidan, de Japanse spookverhalen, verzameld door Lafcadio Hearn, die ik toevallig nu lees en waardoor ik Gerry meer bevraag over deze gebeurtenis. Rusteloze zielen van mensen, van dieren, van voorwerpen, dromen, een karmisch lot. Ik kijk nergens van op. ‘Een katholieke collega van mij dreef ook wel eens geesten uit een kamer,’ zeg ik. En ik herinner me dat mijn moeder op haar sterfbed ook de contouren zag van haar broer en zussen.  Of de vrouw in het verpleeghuis die zich voorbije levens herinnerde tot aan de dag dat zij getuige was van de kruisiging op Golgotha, tweeduizend jaar geleden. Nee, ik kijk nergens van op.

Gerry ook niet. Een dichter zoekt naar grenservaringen en is tegelijkertijd ambachtsvrouw. ‘SOS,’ zegt ze. ‘Schrappen, omgooien, schaven. Een gedicht is namelijk nooit meteen af. Daar begint het mee. Clichés eruit, samen met het overbodige.’

I’VE GOT TO KEEP THE FIRE BURNING
zeg ik tegen de artists in residence
als ze vragen naar mijn bezigheden

Bijna drie uur verder en nog lang niet uitgepraat. Bij het afscheid paaseitjes en haar vriendelijke: ‘Je hebt hele mooie donkere ogen.’  Dat je je weer twintig voelt.

Eric de Rooij