Recensie: Ian McGuire – Witte rivier
Ondergedompeld in goudkoorts en geweld
In Witte rivier voert Ian McGuire de lezer terug naar 1766 en naar een Britse koloniale handelspost in wat nu de Canadese provincie Manitoba is. Wanneer er een expeditie wordt opgestart naar een noordelijke goudader voel je als lezer al snel: There will be blood. McGuire serveert een historische avonturenroman vol goudkoorts en geweld. Jammer genoeg zijn de meeste personages biljartvlak en blijft ook het verhaal in zijn geheel steken in één dimensie.
De Engelse auteur Ian McGuire heeft van historische fictie met een donker randje zijn handelsmerk gemaakt. Een tiental jaar geleden brak McGuire door met zijn tweede roman Het noordwater, een verhaal over de nadagen van de walvisindustrie in het Engels Hull. Dat boek haalde de longlist van de Booker Prize en werd door de New York Times bij de tien beste boeken van 2016 gerekend.
Ook in Witte rivier maakt McGuire een sprong in de tijd. Hij neemt de lezer mee naar 1766, meer bepaald naar het Prince of Wales Fort, een handelspost gericht op pelshandel van de Britse Hudson’s Bay Company, gelegen in het noordoosten van wat nu de Canadese provincie Manitoba is.
Wanneer een sjofele pelshandelaar meldt dat er aan een noordelijk gelegen meer een goudader te vinden is, is de interesse van Magnus Norton, de ‘factoor’, zeg maar de baas van de handelspost, geprikkeld en hij richt een geheime goudexpeditie op. Zijn tirannieke adjunct John Shaw moet die missie leiden, geflankeerd door Abel Walker, het neefje van de baas, en door de stille, ietwat raadelachtige Thomas Hearn. Zij nemen ter ondersteuning vier noordelijke indianen mee. De expiditie leidt naar een onherbergzaam toendragebied waar enkel nog de zogenaamde ‘esquimaux’ (Inuit) leven.
De zoektocht naar goud wordt een missie vol spanningen, bruut geweld, wantrouwen en ook bloedwraak. Het verhaal moet het hebben van de avontuurlijke hindernissen en van de stuwende suspsense, want zowel thematisch als wat de diepgang van de personages betreft, stelt de roman van McGuire teleur. Ja, je kan wel zeggen dat de brute, gewelddadige aanpak van expeditieleider John Shaw te lezen valt als een kritiek op de westerse koloniaal-imperialistische aanpak. Ook de moreel corrumperende macht van goud is een duidelijk thema. De hebzucht van de mens en de moreel-symbolische rol van goud/geld daarin is een vrij klassiek thema, denk maar aan Silas Marner van George Eliot.
McGuire kiest voor een wisselend vertelperspectief. Die variatie houdt op zich wel het tempo in de vertelling. Maar toch krijgen die personages zelf weinig diepte. Zo is John Shaw de nogal ééndimensionale ‘slechterik’ en blijft Abel Walker – nochtans een van de hoofdpersonages en het neefje van de baas – vrij grijs en onzichtbaar. Dan zwijgen we nog over de vrouwelijke personages. Die blijven al helemaal op de achtergrond. Hun handelen wordt grotendeels bepaald door het handelen van de mannelijke personages.
Enkel in het personage van Thomas Hearn zit wat reliëf. Bij hem kan je nog spreken van een morele boog of ontwikkeling. Maar zelfs bij hem blijft de gedachtengang soms steken in pseudofilosofische wijsheden of in clichés, zoals: ‘… als dit het einde is, waar is het dan allemaal goed voor geweest? Had ik iets kunnen doen wat ik heb nagelaten, is er een hogere plicht die ik in mijn dwaasheid heb veronachtzaamd of verzaakt, of is dit leven werkelijk niets méér dan wat vluchtige momenten van plezier of pijn?’
Maarten De Rijk
Ian McGuire – Witte rivier. Uit het Engels vertaald door Rogier van Kappel. De Bezige Bij, Amsterdam. 320 blz. € 24,99.
