In de geest van de ander; elkaar ontmoeten in een boek

Steeds vaker krijg ik een vriendschapsverzoek via sociale media en kort daarna volgt de vraag of ik een boek of bundel wil bespreken, wat voor mij dan toch weer een ander licht werpt op het vriendschapsverzoek. Tegenwoordig kijk ik voordat ik het verzoek bevestig, eerst even of de betreffende persoon misschien net een (nieuw) boek heeft geschreven. Ook als dat het geval is, bevestig ik bijna altijd het verzoek. Dat wel. Maar met een knoop in mijn maag. Toch wel.

Het kan anders. Totaal anders. Ik lees Wolkenspiegels van Hans van Pinxteren en schrijf daar een bespreking over. Niet lang daarna ontvang ik een mail waarin de auteur me bedankt voor de bespreking, die hem nieuwsgierig heeft gemaakt naar mijn eigen werk. Welke van mijn boeken zou ik hem aanraden? Ik lees de regels nogmaals. Vraagt hij nu naar mijn eigen boeken? Wil hij een boek van mij lezen? Dat is wat er echt staat.

Omdat het er zo ernstig staat, wijs ik hem op de mogelijkheid mijn boeken kosteloos van mijn website te downloaden, mocht hij genoegen nemen met een digitaal bestand. Hij zou bijvoorbeeld mijn De steenhouwer verschenen is/de steenhouwer verdwenen is kunnen lezen, dat ik wel een beetje vind passen bij de stilte in zijn eigen werk. Ik kom met een nogal onhandige gebruiksaanwijzing voor het digitale bestand: het boek heeft namelijk twee ingangen, dus bij de digitale versie moet je halverwege het bestand naar het einde scrollen, dan je apparaat op z’n kop houden en vanaf die andere kant gaan lezen. Terwijl ik deze handleiding typ, denk ik: ik ben krankzinnig. Welke lezer gaat dat doen?

Van Pinxteren doet het, ook al is hij lang voor het digitale tijdperk geboren. Hij leest niet alleen dit boek, maar ook nog twee andere van mij en beschrijft wat hij daarin is tegengekomen. Het is of ik in een onherbergzaam gebied voor het eerst sinds lange tijd een andere wandelaar tegenkom en dat bijna niet kan geloven. Is daar echt een ander op mijn pad? Van Pinxteren laat zijn uitgever mij als dank voor de boeken die hij gratis van mijn website heeft kunnen downloaden, zijn essaybundel toekomen, Hoe ouder hoe vrolijker. En deze essays openbaren op indrukwekkende wijze hoe het voor deze auteur kennelijk een tweede natuur is om zich langere tijd in de geest van een ander op te houden.

Van Pinxteren is een gelauwerd vertaler van o.a. Rimbaud, Montaigne, Flaubert en Lao Tse. Hij ontving de Martinus Nijhoffprijs en de Dr. Elly Jafféprijs. In Hoe ouder hoe vrolijker beschrijft hij talloze ontmoetingen met andere schrijvers, de dode vooral, die nog volop in leven zijn: ‘Wie goed wil leven, zeggen de Ouden, moet leren omgaan met de dood. Aan de dood denk ik vaak. Dat zal wel komen door mijn dwaaltocht over het wad bij Schiermonnikoog in de potdichte mist, mijn meest elementaire confrontatie met hem. Nu, ruim veertig jaar later, trekt nog steeds als ik eraan terugdenk (die zwalkende mist waarin hij zich hulde) de kou van toen in mij op. Juist door dit verkeren met de dood ben ik de warmte van sommige ontmoetingen des te meer gaan waarderen: hoe zij ontstijgen aan zijn beklemming.’ Het adembenemende verslag van deze barre tocht is ook te vinden in het boek.

Zoals de auteur in zijn voorwoord al aangeeft, is de bundel door de bijzondere samenhang van de verschillende beschouwingen, verhalen en reisschetsen daadwerkelijk te lezen als één lang essay ‘dat in diepste wezen aftast hoe de mensen waarmee ik een speciale band had, omgingen met de dood. Niet om de dood zelf, maar om het leven zo intens mogelijk te leven.’ Hij begint met zijn wonderlijke roeping als vertaler, verborgen in de naam waarvoor hij zich lange tijd heeft geschaamd:

Maar dan, met Pinksteren, daalt de Heilige Geest op hen neer in de gedaante van vurige tongen. Bevangen van dit hemelvuur vatten ze moed, haasten zich naar buiten en richten het woord tot de ongekerstende menigten die zich daar hebben verzameld. En, o wonder, om al die uiteenlopende volkeren ervan te overtuigen zich te laten dopen, spreken de apostelen die vroegste Pinksterdag allen toe in hun eigen taal en worden daarmee de vertalers van de Heilige Geest!
Langzamerhand, van de ene vertaling op de andere, begon het mij te dagen wat een liefdevol richtsnoer, wat een bijzonder cadeau al die tijd verscholen had gelegen in mijn naam: de opdracht vertaler te worden.

Gedurende de bundel wordt steeds meer duidelijk hoezeer dit vertalen voor hem een soort heilige opdracht is. Hij wil niet louter vervuld raken van zijn eigen verhaal. Hij wil eerst luisteren naar dat van anderen, zich verdiepen in hun wijze van kijken naar het leven en die manier zich eigen maken in de taal: ‘Misschien zou ik dan niet alleen recht van spreken hebben, ik bedoel het recht om een verhaal te vertellen, maar ook een soort recht van wederhoor: dat naar dit verhaal wordt geluisterd zonder dat ik daarvoor mijn stem hoef te verheffen.’

In deze vorm van ‘wederhoor’ herken ik zijn vraag aan mij: hij ontvangt weliswaar mijn bespiegeling over zijn gedichten, maar niet zonder zich ook in mij te verdiepen, daar de tijd voor te nemen en de moeite. Hij is een jaar ouder dan mijn moeder, geboren in de oorlog. Bedenk hoe lezen dan langzaamaan niet alleen een geestelijke inspanning vraagt, maar ook een fysieke, vanwege de achteruitgang van de ogen. Deze behoedzame omgang met de ander, vanuit een intrinsieke belangstelling, zonder enige vorm van opportunisme, raakt diep, vooral nu ik om me heen zoveel vreemdelingenhaat zie. Ineens wordt namelijk volstrekt helder hoe de ander zijn status van vreemdeling verliest, op het moment dat je je in hem verdiept, probeert te begrijpen hoe hij denkt, hoe hij naar het leven kijkt. In een eenvoudige uitwisseling van gedachten en geschriften kom je nader tot elkaar en raak je elkaar niet meer kwijt.

De bundel laat zien hoe ver Van Pinxteren gaat om de ander te ontmoeten. Om Rimbaud, Montaigne of Flaubert te leren kennen, leest hij de boeken die zij hebben gelezen, bezoekt hij de plekken die door hen zijn bezocht, leest hoe anderen hen vertaald hebben, spreekt hij hun teksten hardop uit, steeds opnieuw, om betekenis te winnen uit het klankspel. Het is een reis van jaren en jaren, soms tot wanhoop toe, omdat het hem bij herhaling niet lukt om zijn eigen taal zo te slijpen dat hij hun wezen kan vangen.

Dit boek lijkt me daarom ook een waardevol cadeau voor iedere hartstochtelijke vertaler. Het is een hart onder de riem, in deze tijd waar steeds meer bedrijven chatbots loslaten op vertalingen. Van Pinxteren maakt duidelijk dat een waardevolle vertaling niet zozeer de eindbestemming is, maar juist de reis. In een goede vertaling klinkt die reis door, die subtiele afstemming, de dwaalsporen en de ontberingen die hij heeft verdragen om tot inzicht te komen.

Het lezen van Hoe ouder hoe vrolijker is op zichzelf ook een reis, niet alleen vanwege de bijzondere plekken die hij in de reisverhalen zo intens beschrijft dat je er zelf ook meent te wandelen, maar door zijn gedachten te volgen word je een beetje een ander mens. Vanzelfsprekendheden komen op losse schroeven te staan, je wordt uitgenodigd op een andere manier te kijken naar de wereld en de ander. Misschien heeft dat ook te maken met het lange tijdsbestek, vijfenzeventig jaar, waarin deze essays zijn ontstaan. Die gelaagdheid in tijd voel je tijdens het lezen, alsof je cyclisch tot inzicht komt. Indrukwekkend is hoe de dode schrijvers tot leven komen, in hemzelf, hoe hij met hen van gedachten wisselt door zijn verdieping. Er is in deze 264 bladzijden zoveel wijsheid te vinden, hoewel Van Pinxteren de laatste zal zijn om zichzelf een wijze te noemen.

Bijzonder is hoe de beschrijving van de verschillende ontmoetingen echoën in de werkelijkheid, namelijk in hoe hij zich tot mij verhoudt, een voor hem toch zo willekeurige ander, want laten we wel wezen: ik ben geen Rimbaud, geen Montaigne of Flaubert, maar Dietske. Hoe kan ik deze auteur niet alleen bedanken voor deze prachtige bundel beschouwingen, maar ook voor zijn bereidheid zich voor enige tijd te begeven op het grondgebied van mijn gedachten, tussen de bladzijden van mijn eigen boeken, waardoor ik voor even heb kunnen ervaren hoe het is om mijn status als vreemdeling te verliezen, terwijl ik nooit geweten heb dat ik er een was.

Dietske Geerlings

Hans van Pinxteren – Hoe ouder hoe vrolijker. Uitgeverij Oevers, Amsterdam/ Antwerpen. 280 blz. € 25,00.