Nieuwe dwarsverbanden met oude teksten

Met Oude teksten voor jonge lezers levert Joke Brasser zeer waardevolle inzichten voor zowel beginnende als ervaren docenten. De boodschap is eenvoudig: neem een oude, rijke tekst als uitgangspunt en bouw daar een aantal lessen omheen. Maar achter die eenvoudige boodschap zit een duidelijke filosofie die ze helder uiteenzet en aan de hand van bruikbare voorbeelden ook laat zien. Dat lezen alleen maar leuk moet zijn en dat het voor leerlingen niet uitmaakt wat ze lezen, haalt ze direct onderuit. Door zomaar wat te lezen, komt de beginnende lezer niet automatisch bij complexere teksten terecht. Daar heeft een leerling sturing en hulp bij nodig, en klassieke teksten als vertrekpunt. ‘Zonder ijkpunten is het literatuuronderwijs stuurloos.’

In Engeland is Shakespeare op school verplichte kost. Maar hoe kun je die leren waarderen, welke stappen moet een leerling zetten om de schrijver en zijn teksten te kunnen begrijpen en daardoor op waarde te kunnen schatten? Joke Brasser, literatuurwetenschapper, docent en bekend van de website Klassiekers in de klas, schreef Oude teksten voor jonge lezers om docenten te helpen leerlingen wegwijs te maken ‘in het landschap van gedichten en verhalen die erom vragen door hen gelezen te worden.’ Leerlingen moeten in aanraking gebracht worden met teksten die ze zelf nooit zouden kiezen. En op de manier die zij voorstelt, heeft het geenszins het karakter van verplichte kost, maar worden de teksten juist aantrekkelijk gepresenteerd. Leerlingen leren stapsgewijs zich erin te verdiepen en daardoor ervan te genieten.

Het leggen van verbanden naar de actualiteit, naar boeken van nu, maar ook tussen de klassieke teksten onderling, zorgt voor een web van knooppunten, waardoor je hoopt dat leerlingen ook zelf allerlei dwarsverbanden gaan zien en linkjes gaan leggen. Ze noemt dit ‘verbindend’ lezen. Het doet mij denken aan mijn docentschap op de vrijeschool, waar het van groot belang is om leerlingen zich te laten verbinden met de lesstof. Als je je iets eigen maakt en het beheerst, kun je verder bouwen.

En passant, maar natuurlijk niet toevallig, worden de nieuwe kerndoelen voor de onderbouw genoemd en laat Joke Brasser zien dat die met rijke teksten en verbindend lezen makkelijk zijn toe te passen, zoals dat leerlingen ‘literatuur verkennen die geschreven is in verschillende perioden of contexten’ (kerndoel 9c).

De lat moet dus niet lager, maar mag wat hoger. Vanaf de brugklas zouden leerlingen in aanraking moeten komen met teksten die ver van hen afstaan, juist om van de ‘vreemdheid’ te leren en onder woorden te kunnen brengen wat je opvalt of nog niet begrijpt. Een betrokken docent en de juiste aanpak zijn dan natuurlijk wel essentieel.

Maar om welke teksten gaat het dan? Joke Brasser biedt een gevarieerde kapstok en hangt daar mooie lesvoorbeelden aan waar docenten vrijwel direct mee aan de slag kunnen. Zo verbindt ze het boek Lampje van Annet Schaap met het sprookje De kleine zeemeermin van Hans Christian Andersen. In beide teksten gaat het om een innerlijk conflict dat opgelost moet worden. Ze laat zien waarom deze teksten zo goed met elkaar te vergelijken zijn en hoe er een klassikaal leesproject van gemaakt kan worden. Sowieso zijn sprookjes zeer geschikt als uitgangspunt, en door moderne bewerkingen te lezen, leren leerlingen afstand nemen van het verhaal en de tekst als tekst te beschouwen.

Vossen spreken tot de verbeelding en zijn in allerlei gedaantes bekend bij leerlingen. ‘Hij sluipt door de verhalen, films en games die ze lezen, kijken en spelen’. Reinaert de Vos is dus volgens Brasser een uitermate geschikte tekst om in de brugklas mee aan de slag te gaan. Ik moet eerlijk toegeven dat dit verhaal, maar ook enkele andere die ze behandelt, zoals Der naturen Bloeme van Jacob van Maerlant en Mariken van Nieumeghen, bij mij voornamelijk in de vierde klas aan bod komen. Maar Brasser heeft gelijk. Zeker op de manier die zij aanbiedt, zijn ze zeer geschikt om in de onderbouw mee te beginnen. En hoe mooi is het om met vergelijkbare teksten – of juist deze als die nog niet behandeld zijn – het web van knooppunten in de bovenbouw uit te breiden. Leerlingen weten dan al wat intertekstualiteit is omdat ze het zelf hebben ontdekt.

Elk hoofdstuk in het boek draait om een oude tekst, Joke Brasser biedt dwarsverbanden, lesideeën, vaak uit haar eigen onderwijspraktijk en dus al uitgeprobeerd, en een lijstje met edities en bewerkingen die te gebruiken zijn in de klas. Een mooie combinatie van theorie en praktijk, overzichtelijk en aantrekkelijk gepresenteerd. Elke rector zou het boek cadeau moeten doen aan zijn of haar sectie Nederlands. En iedere lerarenopleiding zou het, naast alle andere boeken over vakdidactiek, verplicht moeten stellen.

Arjen van Meijgaard

Joke Brasser – Oude teksten voor jonge lezers. Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 200 blz. € 32,50.