Recensie: Małgorzata Lebda – Onstilbaar
Van muil en moervos
‘Opa, die oma’s ziekte mijdt, wie de ceremonies rondom de ziekte vreemd zijn, hij die niets van de ziekte weten wil, niets in de ziekte wil aanraken, ziet vanaf de veranda toe hoe de spreeuwen de afdaling boven de boomgaard inzetten.
Hij slaat met een metalen staaf tegen een aluminium melkbus. Het dondert ervan in het dal.
Ik sla hem gade. Ook in hem moet het donderen, zijn lichaam beeft, zijn huid lijkt op de huid van de mannen die de Karpatenboog bewonen, denk ik bij mezelf. Brons. Ebbenhout.’
Wat de Poolse Małgorzata Lebda doet in Onstilbaar, lijkt verder te gaan dan alleen maar schrijven.
Haar stijl heeft iets weg van schilderen of boetseren, maar ze tovert ook een beetje: ze mengt gedrag, een eenvoudige handeling, voorwerpen, huid, kleur en geluid, en er doemt een opa op, bijna tastbaar, terwijl hij evengoed gesloten blijft. En zonder oma hier direct te beschrijven, is zij toch aanwezig op de achtergrond. Hetzelfde geldt voor beschrijvingen van de oma. Dan is opa op de achtergrond.
Er is meer. Vanaf de eerste bladzijde voel je een lichte dreiging tussen de regels, die tot het einde aanhoudt. Twee vrouwen zijn in het dorpje Maj aangekomen om bij de zieke grootmoeder Róza te verblijven. Terwijl opa allerlei reparaties verricht aan het huis, wil Róza omringd zijn door zoveel mogelijk leven. Op de achtergrond hoor je geluiden van het slachthuis op de heuvel en aan de overkant verschuift een landmassa. In de westkamer, waar Róza ligt, zie je voortdurend het licht verschuiven van de koplampen van vrachtwagens die naar het slachthuis rijden.
De ik-persoon is een van de twee vrouwen, de kleindochter van Róza. Het duurt even voordat ze gestalte krijgt, omdat ze zo nauwgezet haar grootouders en Ann, de andere vrouw, observeert dat ze zelf onzichtbaar blijft. In een notitieblokje schrijft ze haar observaties op, waardoor je het idee krijgt dat deze notities het boek vormen. De korte hoofdstukken hebben eenvoudige titels die nieuwsgierig maken, meestal van één woord: boskers, muil, water, stil, kiwano, kwaad, vogels, moervos.
De focus ligt vooral op de ernstig zieke Róza, die allerlei vormen van leven om zich heen verzamelt. In de westkamer ontvangt ze vliegen, spinnen, katten, mieren, bijen en allerlei planten. Ze verdraagt het niet als iemand ze doodmaakt. Daarin vormt ze een contrast met opa, die aan de oostkant er flink op los mept als het om ongedierte gaat. Het contrast tussen beiden neemt bizarre vormen aan. Róza draagt haar kleindochter op om suiker over de grond te strooien, zodat de mieren het spoor gaan volgen als een wonderlijke mars. In de keuken probeert opa juist de mierenkanalen te zuiveren met bijtende mengsels. Róza neemt hem dat kwalijk:
Een monster ben je, zegt ze.
Een beul ben je, zegt ze.
Een schoft ben je, zegt ze.
Een slachter ben je, zegt ze.
Die slachter grieft hem het meest, het raakt hem en kan hem laten stoppen met zijn dodelijke werkzaamheden.
Ze zullen ons verslinden, ons tot op het bot afkluiven, antwoordt hij haar in die gevallen.
De ziekte, die Róza geleidelijk aan overwoekert, lijkt in dit boek ook een vorm van leven, een soort dier dat zich net als de gewonde kat tegen haar aan vleit. De kleindochter raakt de zieke plekken aan en verzorgt ze. Ik ken geen boek waarin ziekte zo liefdevol beschreven is. Er heerst een totale rust en berusting bij de vrouwen. Opa daarentegen wordt met de dag onrustiger. Terwijl hij geen moment even bij haar gaat zitten en haar verzorgt, is hij wel voor haar het hele huis aan het opknappen. Hij wil ‘radiatorribben’ plaatsen, zodat ze het warm zal hebben. Terwijl hij met harde materialen werkt, is bij de vrouwen in de kamer alles zacht en organisch.
Er is een hartverscheurend moment waarop de weinig spraakzame opa zijn hart lucht bij de kleindochter en zijn onvermogen uit om zijn vrouw echt iets te geven. Hier krijgt de titel ‘onstilbaar’ vorm. Er is veel dat niet gestild kan worden: zijn verlangen om zijn vrouw iets te geven, haar verlangen om het leven vast te houden, de ziekte die zich steeds verder uitbreidt, de landmassa die aan het verschuiven slaat, de dieren die geslacht worden en die je hoort huilen, het wachten op de dood. Hoewel er weinig lijkt te gebeuren, is er toch een onderhuidse spanning die je naar het einde drijft, terwijl je tegelijkertijd in het moment wil blijven, omdat het zo schitterend beschreven is.
Onstilbaar is prachtig, een van de mooiste boeken die ik de afgelopen tijd heb gelezen. Het is soms gewoon poëzie, door de herhaling, het klankspel en de indrukwekkende zeggingskracht van de beelden. Grote complimenten ook voor vertaler Charlotte Pothuizen die met fijnzinnig gereedschap dit bijzondere Poolse kunstwerk uit de Nederlandse taal heeft gehouwen.
Dietske Geerlings
Małgorzata Lebda – Onstilbaar. Vertaald door Charlotte Pothuizen. Koppernik, Amsterdam. 216 blz. € 23,50.
