Recensie: Albert Camus – Brieven aan mijn leraar
Een liefdevolle hand
De Franse schrijver Albert Camus (1913–1960) groeide op in armoedige omstandigheden in Algerije, dat toen nog een kolonie van Frankrijk was. Zijn vader, Lucien Camus, was in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld toen Albert nog geen jaar oud was. Zijn moeder, slechthorend en analfabeet, werkte als schoonmaakster. Zijn oma regeerde het vaderloze gezin met harde hand. Camus zocht zijn heil buiten, aan het strand, waar hij zich in de zon koesterde, en op het voetbalveld.
Voor een jongetje uit een arm milieu lag er zeker geen Nobelprijs voor de Literatuur in het verschiet. ‘Armoede is een vesting zonder ophaalbrug,’ schrijft Camus in De eerste man. Gelukkig kwam hij in de klas van de sympathieke onderwijzer Louis Germain. Deze toegewijde docent zag dat Camus een bijzonder begaafde leerling was en spande zich in om Albert aan een beurs voor het voortgezet onderwijs, het lycée, te helpen. Met drie andere veelbelovende klasgenoten kreeg Camus gratis bijles ter voorbereiding van het toelatingsexamen. Met Camus had Germain een bijzondere band, niet alleen omdat hij slim was, maar ook omdat hij de zoon was van een soldaat die in de Slag bij de Marne was gevallen. Germain had ook in de oorlog gevochten en voelde zich als overlevende moreel verantwoordelijk voor dit soort verweesde jongens. Toen Camus’ grootmoeder de plannen voor het lyceum afwees, omdat dit betekende dat haar kleinzoon niet kon werken voor het onderhoud van het gezin, wist meester Germain haar tijdens een persoonlijk bezoek op andere gedachten te brengen. Op de dag van het examen bracht de meester zijn pupillen zelf naar het lyceum en haalde ze na afloop weer op.
Albert Camus is zijn hele leven zijn eerste leermeester dankbaar gebleven en heeft hem dit vele malen laten weten. Toen hij eenmaal een succesvol auteur was en in 1957 werd beloond met de Nobelprijs voor de Literatuur, schreef hij Germain een dankbrief: ‘Maar toen ik het nieuws vernam, dacht ik eerst, na mijn moeder, aan u. Zonder u, zonder die liefdevolle hand die u reikte aan het arme jongetje dat ik was, zonder uw onderwijs en uw voorbeeld zou niets van dat alles zijn gebeurd.’ Germain antwoordde aangedaan: ‘Ik ben persoonlijk des te meer geroerd omdat mijn eigen kinderen me nooit zoveel genegenheid hebben getoond.’
De beide mannen onderhielden sinds de Tweede Wereldoorlog een wat fragmentarische correspondentie, die nu voor het eerst is vertaald onder de titel Brieven aan mijn leraar. Een ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling, ingeleid door schrijver en essayist Bas Heijne. Er bestond respect en liefde tussen beide mannen, wat de correspondentie een zekere tederheid geeft. Camus liet niet na zijn dankbaarheid voor zijn ‘geestelijke vader’ te tonen. Als hij in Algiers was, bezocht hij zijn oude meester en diens vrouw, en hij stuurde hem zijn boeken. Germain toont zich wat verlegen van al die loftuitingen: ‘Omdat ik aan je vader dacht, mijn beste jongen, heb ik me om je bekommerd, zoals ik me ook om de andere oorlogswezen heb bekommerd. Ik heb een beetje voor hem van je gehouden, zoveel als ik kon, en dat is mijn enige verdienste. Ik heb een in mijn ogen heilige plicht vervuld.’
De tweede helft van het boekje wordt gevuld met het fragment ‘De school’ uit de postuum uitgegeven, onvoltooide autobiografische roman De eerste man. Hierin beschrijft Camus zijn jaren op de lagere school en de manier waarop de bijzondere band tussen leerling en leraar zich heeft ontwikkeld. Ook hierin klinkt hetzelfde ontzag en dankbaarheid door die Camus in zijn brieven belijdt. Hij schrijft over de manier waarop Germain de leerlingen eigenwaarde gaf: ‘In de klas van meneer Germain voelden ze voor het eerst dat ze bestonden en dat ze voor vol werden aangezien: ze werden waard bevonden de wereld te ontdekken.’
Germain was een toegewijde leraar, een typische vertegenwoordiger van het opvoedingsideaal van de Franse republiek: non-religieus, gericht op de verheffing van de gewone man. Hij was streng, veeleisend en wees het gebruik van lijfstraffen niet af. Bijna elke leerling kreeg wel klappen met de platte liniaal. Wel vraag ik me stiekem af of hij ook zoveel oog had voor leerlingen die wellicht minder begaafd waren en niet aan zijn hoge verwachtingen konden voldoen.
Waarom zijn deze teksten opnieuw verzameld en uitgegeven? De brief van Camus aan Germain na de toekenning van de Nobelprijs is al opgenomen als appendix van De eerste man, evenals het fragment over school, dat een hoofdstuk in de roman vormt. De verdere correspondentie tussen Camus en zijn onderwijzer is aandoenlijk, maar onvolledig en heeft weinig literaire waarde. Heijne motiveert de uitgave door te zeggen dat de brieven ‘laten zien hoe een morele houding een levensloop daadwerkelijk kan veranderen. Aandacht, vertrouwen, geduld – menselijke kwaliteiten die niet te optimaliseren zijn, die niets te maken hebben met berekening of eigenbelang – kunnen het verschil voor een ander maken.’ Niet een heel overtuigende motivatie om juist deze teksten te selecteren.
Brieven aan mijn leraar past in een reeks die Bas Heijne al sinds enige jaren opbouwt: een bijzondere tekst van een beroemd auteur, voorzien van een degelijke inleiding. Heijne deed dit eerder met werk van George Orwell, brieven van Camus en een essay van Aldous Huxley. Blijkbaar slaat de formule aan, zo blijkt uit het verkoopsucces. Hoewel ik het eigenlijk wat gemakzuchtige uitgaves vind, ben ik toch blij dat Heijne hiermee de aandacht wekt voor belangrijke schrijvers, wier grote werken vermoedelijk weinig meer worden gelezen. En Brieven aan mijn leraar is in al zijn kleinheid en menselijkheid bijzonder ontroerend.
Aart Aarsbergen
Albert Camus – Brieven aan mijn leraar. Een ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling. Met een inleiding van Bas Heijne. Uit het Frans vertaald door Tatjana Daan en Jan Pieter van der Sterre. De Bezige Bij, Amsterdam. 112 blz. € 15,–

