Column: Eric de Rooij – Hoop is dat ding
Hoop is dat ding
Bij de ingang van uitspanning De Orchidee hangen sinds dit voorjaar de portretten van Iraanse meisjes en jongens aan de takken van de bomen. Al die donkere ogen, zachte wangen, gezichten die verlegen of vol overgave in de camera kijken. Je weet, ze zijn allemaal dood, vermoord. Op een bord staat een toelichting: In twee nachten, van 8 en 9 januari 2026, kwamen meer dan vijftigduizend mensen om het leven. Mannen, vrouwen, jongeren, ouderen en zelfs kinderen verloren hun leven tijdens deze gewelddadige onderdrukking. Dader: het regime van de Iraanse Islamitische Republiek. Weer kijk ik naar al die portretten. Nog geen half procent van alle slachtoffers. Jonge mensen onwetend van hun lot: te sterven en als foto in een boom te hangen in een Amsterdams park.
Verder is er gezellige bedrijvigheid op het terras. Bij de vijver zie ik de oude vrouw zitten die daar vaak te vinden is sinds de eerste zomerse dagen. Voeten op een stoel, gekaft boek in haar handen. Kopje muntthee. Ze lijkt helemaal in haar boek op te gaan. Eigenlijk zie je nooit meer gekafte boeken. Boeken zijn nauwelijks nog een begerenswaardig bezit. Als het even kan, belanden ze in kastjes langs de weg. Gratis af te halen. Zojuist heeft R. de complete biografie in twee delen van Friedrich Nietzsche uit zo’n kastje gehaald. In luxe cassette. Als nieuw. Daarom ben ik nieuwsgierig naar deze vrouw, waarom ze zo voorzichtig is met haar boeken. Vroeger leende ik weleens boeken van een wat oudere vriendin en zij kaftte die eerst in doorzichtig plastic voordat ik ze meekreeg. Ik durfde ze vervolgens nauwelijks te lezen, bang vlekken te maken. Een andere vriend kaftte zijn favoriete boek van Louis Couperus ook in doorzichtig plastic. Altijd voorzichtig met de rug. Niet knakken. Geen vlekken, geen ezelsoren. Tot de zilvervisjes verwoestende happen uit het binnenwerk van zijn Majesteit namen.
‘Kaften is een gewoonte,’ vertelt de vrouw, zonder haar voeten van de stoel te halen. ‘Ik lees kassaboekjes. Niet te dik, maar wel populair. Boeken die ik in twee dagen uit heb om ze daarna cadeau te doen.’ Ik herhaal de laatste woorden. ‘Ik vind het leuk om iets weg te geven,’ zegt ze. ‘Ik heb een hoop vriendinnen. Ze lezen allemaal graag.’ Nee, kinderen heeft ze nooit gekregen. Ze zorgde lang voor een zus tot ze overleed aan nou ja ze wil de ziekte niet noemen.
Is het gepast de jonge ober naar de boom met foto’s te vragen? Toevallig of niet, juist in de afgelopen maanden kreeg ik wat contact met enkele Iraanse vluchtelingen, een collega, een buurvrouw, de mensen van deze uitspanning. Zij hadden bij de gecombineerde aanval van Israël en de Verenigde Staten op Iran opeens weer hoop gekregen. Zou het? Zou het land toch bevrijd worden? Ook die blikken zijn in mijn geheugen gegrift. Zij spraken in tegenstelling tot mijn Nederlandse vrienden in die eerste dagen geen schande over deze aanval, hoe amoreel de daad, hoe tegen alle internationale verdragen het allemaal gebeurde. Ze hoopten op een Othomar, zoals in het boek van Couperus, die democratie en rust in hun land zou kunnen brengen. Hope is the thing with feathers. Emily Dickinson. Hoe gaat het verder?
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –
Dan word ik gebeld met slecht bereik. Over een familielid. Net met pensioen. Vereenzaamd. Ze eet al maanden uitsluitend witte boterhammen met hagelslag, weet niet meer welke dag vandaag is, wanneer ze jarig is, hoe koffie te zetten. In haar appartement staan van de hal tot in de woonkamer de portretten van gestorven familieleden. Ouders, grootouders, tantes, een neef, haar eigen echtgenoot. Een gelukkig huwelijk, met dat ene verdriet, kinderloos te blijven. Hoe verder met haar?
R. haalt een van de delen Nietzsche uit de box. ‘Je weet dat hij niet zo van de hoop was?’ Ik pak mijn telefoon. Dickinson en Nietzsche, tijdgenoten. Allebei werden ze vijfenvijftig. ‘Hier,’ zeg ik. ‘Nietzsche dubbele punt “in werkelijkheid is hoop het ergste van alle kwaad, omdat het de kwelling van de mens verlengt”.’ Ik draai mijn hoofd naar de boom met de portretten, voel emotie en weet verder niets te denken.
Eric de Rooij
