Recensie: Jonáš Zbořil – Flora
Wirwar van vormen
In zijn debuutroman voert de Tsjechische schrijver en journalist Jonáš Zbořil de lezer mee in een dystopische wereld. Hij beschrijft hoe Adam en Sára, een kinderloos stel, nieuwsgierig een kijkje nemen in de Rimboe, een afgesloten gebied dicht bij de stad waar ze wonen: ‘Een toxische zone die zich als een ziekte naar de stad uitbreidt.’
Zbořil opent deze korte roman met wat Adam en Sára bij het betreden van de Rimboe aantreffen. ‘Dan zien we dat het een gezicht heeft. De lippen gaan van elkaar als de flappen van een happertje, maar ze brengen geen geluid voort. Sára schijnt met haar telefoon op de wirwar van vormen in de duisternis. We onderscheiden een paar ogen, we kijken of ons iets van een bewustzijn tegemoet fonkelt.’
Het zijn enerzijds herkenbare vormen die Adam en Sára daar ontdekken, maar anderzijds stelt het hen voor raadsels. ‘Wat kabels verstrengeld met uitlopers van struiken, in elkaar gedraaid als het snoer van een koptelefoon. Het lijkt een stuk vlees, of gewoon een vod. Het geeft een dierlijke lucht af.’
Ze besluiten wat ze gevonden hebben voorlopig maar mee te nemen naar het huisje in de Rimboe dat ooit van Adams oma was. Daar aangekomen behandelt Sára haar vondst alsof het een pasgeboren baby is. Als Adam er de volgende dag op aandringt dat ze de Rimboe snel weer moeten verlaten en naar hun huis in de stad moeten terugkeren, verzet Sára zich; ze kunnen het wezentje dat ze gevonden hebben hier niet alleen achterlaten.
Adam schikt zich in die wens en zo beginnen de twee, samen met hun vondst, aan een maandenlang verblijf in Rimboe, waar zich in het verleden, zo diept Adam uit zijn herinnering op, verschillende ongelukken hebben voorgedaan. Wat er sindsdien is gebeurd, en nog steeds gebeurt op deze ‘plek van vergetelheid’, daar kan Adam niet echt hoogte van krijgen, behalve dan dat er voortdurend van alles gedumpt wordt. ‘Losgerukt uit de elektrische circuits, uit de kringloop van activiteiten, uit de beschaving, zwerven de gedumpte spullen hier rond. Ze wachten eindeloos lang om weg te smelten tot giftige slakken. Of ze versmelten met het vlees van de Rimboe tot iets nieuws.’
Terwijl Adam hun vondst lange tijd een ‘homp’ blijft noemen, stort Sára er al haar (onvervulde) moederlijke gevoelens over uit. Na verloop van tijd laat Adam zich meevoeren in dat spel, of is het de werkelijkheid? Ook hij probeert contact te leggen met en door te dringen tot het wezen van het wezentje, dat inmiddels Flora is gedoopt.
In een oude kinderwagen neemt Adam Flora mee op wandelingen door de Rimboe. Daar stuit hij op zekere dag op drie kinderen, die erg nieuwsgierig zijn naar wie of wat er in de kinderwagen ligt. En er is de oude buurvrouw Ivana, die het jonge stel met raad en daad terzijde probeert te staan, en erop hint dat ze zelf ook ooit een dergelijke vondst in de Rimboe heeft gedaan.
Terwijl het ene seizoen het ander opvolgt, gaat de gezondheid van Sára achteruit, tot er geen andere keus meer is dan haar in het ziekenhuis te laten opnemen. Flora meenemen naar de stad is geen optie, beseft Adam. En dus neemt hij haar mee naar de plek waar ze gevonden werd. ‘Ik houd je bij je hoofd vast en leg je langzaam neer in de struiken. Je bent vrij. Je laat je armen verstrengelen met de takjes – wat kan het zijn? Een onbekende soort. Nu je benen nog, je hoofd, je borst. Algauw ben je niet meer te zien. Je gaat op in de Rimboe.’
Zbořil laat in deze debuutroman veel vragen onbeantwoord: de ziekte van Sára, de aard van de Rimboe, het wezen van Flora, het verleden van Ivana en haar echtgenoot Ludvík. Toch slaagt hij er met zijn dichterlijke stijl in een wereld op te roepen die gehoorzaamt aan z’n eigen wetten, ook al blijven die voor de lezer ondoorgrondelijk.
Roeland Sprey
Jonáš Zbořil – Flora. Vertaald door Irma Pieper. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. 184 blz. € 22,50.

