‘tussen hemel en aarde bloeit de roos uit wanorde’

Er zijn weinig dichters die zo vol overgave ‘de ruimte van het volledige leven’, om maar met Lucebert te spreken, tot uitdrukking brengen als Rozalie Hirs. Waar Lucebert dit ‘op poëtische wijze’ ‘tracht’, dóet Hirs dit gewoon. Zij doet dat enerzijds net als Lucebert ‘eenvouds verlichte waters’, in die zin dat haar poëzie stroomt en het licht van eenvoud uitstraalt, net als het sprankelende zonlicht op het water, anderzijds als een gedreven wetenschapper, die complexiteit niet schuwt, maar haar voorwerp van aandacht vanuit alle kanten blijft onderzoeken, terwijl dat voorwerp voortdurend van vorm verandert. Daarom moet ik bij haar poëzie ook steeds aan Luceberts van de afgrond en de luchtmens denken, omdat het hele universum erin betrokken wordt, en aan zijn apocrief / de analphabetische naam, omdat ze de grenzen van de taal opzoekt en daarbij gerust alle wetten doorbreekt. En dan is er nog de mystiek, de zoektocht naar onze oorsprong en het verlangen om samen te vallen met het goddelijke, de taal, de natuur, de ander, zeg het maar. Vanwege deze overrompelende ‘eenheid in alles’ heeft haar oeuvre inmiddels iets weg van een oneindige zin, zoals de titel van een van haar vorige bundels. Haar nieuwe bundel vragen naar het begin is dan ook eigenlijk niets anders dan de nieuwe puls van een kloppend hart.

Vragen naar het begin, de vraag naar onze oorsprong, is tegelijkertijd ook de vraag naar zingeving: waar komen wij vandaan en waarom zijn we er? Hirs’ zoektocht naar zingeving gaat via ‘zinspelingen’, de titel van het eerste deel van de bundel, in de meerduidigheid van het woord: ze speelt letterlijk met zinnen als grammaticaal verschijnsel, ze speelt met de zintuigen, met de zin van het leven en er zijn talloze verwijzingen te vinden. Wie zegt bijvoorbeeld dat mijn associatie met Lucebert een toevallige of willekeurige is, als zij haar derde gedicht eindigt met: ‘boven een onmetelijke afgrond de lucht – / deze mens verlicht het donker – met scharen wolken / verheven als gelijke’. In de eerste strofe van het gedicht verwijst ze naar het verhaal van de zondeval uit Genesis.

Hoezeer Hirs het grillige, onzekere van het leven ook omarmt, zij doet dat met een haast stellige poëtica:

het geloof in het voorkomen/de mogelijkheid van
wonderen als richtlijn voor het leven
afzonderlijk of in combinatie –
toeval/nieuwheid en wonderen dus geven onzekerheid –
gewoon uit een gebrek aan kennis –
dat wil zeggen ontbrekende associaties
tussen waarnemingen onderling
of tussen de waarneming en haar situatie –

Ons krampachtige vasthouden aan bestaande kennis komt waarschijnlijk voort uit angst. Veel eenvoudiger is de open houding: ‘tussen hemel en aarde bloeit de roos / uit wanorde – dit avontuurlijke lied / van een daverend hart met machtige vleugels’. Ironisch klinkt haar oproep om komma’s en punten in haar zinnen te plaatsen, want die heeft ze zelf namelijk nergens gezet. De lezer ontkomt er niet aan tijdens het lezen van haar strofen kleine pauzes te denken om betekenis te geven. Heeft zij daarom in zoveel gedichten gedachtestrepen geplaatst, soms achter bijna iedere zin?

Hirs nodigt uit om te denken en te voelen. Dit ‘voelen denken’ wordt letterlijk in diverse gedichten herhaald en komt ook in haar vorige bundels veelvuldig voor. Het is of deze twee-eenheid een mantra is, of juist een van haar voorwerpen van onderzoek. De manier waarop zij deze woorden af en toe letterlijk laat terugkomen doet mij aan de ‘minne’ van de middeleeuwse mystica Hadewijch denken. Als lezer word je een beetje gek van zo’n woord als je je langere tijd verdiept in hun werk, totdat je geraakt wordt door de ernst van de gedrevenheid waarmee Hadewijch deze minne aftast en Hirs het voelen-denken. Hoe stellig Hirs ook haar oneindige zin door de bundel lijkt te stuwen, zij doet daarbij niets anders dan voortdurend ontregelen. Die tegengestelde krachten heffen elkaar niet zozeer op, maar zoeken de balans als in oosterse wijsheden.

De gedichten hebben geen titels, eerder ‘ondertitels’, omdat er vetgedrukte woorden onderaan de bladzijden staan. Die woorden kun je als titels lezen en ze in verband brengen met het gedicht daarboven, maar soms zijn ze zo mysterieus dat ze los van het gedicht een eigen leven gaan leiden. Op andere momenten ben je als lezer geneigd die ondertitels met elkaar te verbinden in plaats van met het betreffende gedicht op de bladzijde. Op die manier ervaar je hoe teksten elkaar kunnen beïnvloeden, want als er als ondertitel staat ‘inleiding tot interactief lezen’, dan ga je wat je net daarboven gelezen hebt, toch ook weer anders lezen. Soms klinken de titels als een mantra, zoals ‘je bent als geen ander’ of ‘mijn oren zijn mijn ogen’, soms als iets heel triviaals, zoals ‘ik stuur je een berichtje’ of ‘ik zeg ja’.

Het tweede deel van de bundel, ‘de oorsprong is een vergeten beweging’ vind ik een bijzonder interessant onderzoek naar ons begin:

wat voor het eerst gebeurt
gebeurt niet als stilte –
want stilte veronderstelt iets
wat zwijgt –
maar als een fout in afwezigheid
zichzelf overslaat –

is er dan begin zonder oorsprong?

Ook in dit deel verwijst Hirs naar het scheppingsverhaal, maar dan naar die uit Johannes:

was het begin gewoon een woord
voortijdig uitgesproken –
nog niet gevonden taal?
als ontsporing – uit glijdende letters gemaakt
door de eigen naam naar buiten gevallen –

Ontroerend vind ik het als ze in haar onderzoek stuit op de mogelijkheid dat het heelal zich uitstrekt uit schaamte. Ik zie daarin een verwijzing naar onze dolgedraaide wereld:

wat als het heelal zich uitstrekt
uit expansiedrift of een schaamte
die groter en groter wordt
om de allereerste vlek onzichtbaar te maken?

Hirs denkt deze gedachte ook in de daaropvolgende gedichten uit, waarbij langzaam tot je doordringt dat ons bestaan ook kan zijn voortgekomen uit een gruwelijke fout. Hoe moet je je dan tot dit leven verhouden:

als de oorsprong fout was –
niet tragisch of subliem – gewoon fout –
een over het hoofd geziene typo –

als ons hele bestaan dus gebaseerd is
op dit verkeerd geschreven begin –
hoe verschijn je dan?

Het laatste deel is het meest omvangrijk en misschien ook wel het meest abstract: ‘wittgensteins ladder’. Als een mathematicus, die de logica volgt (Hirs’ tweede bundel heet Logos!), gaat ze hier te werk:

wat kan zijn – wat niet kan –
elke rij is een wereld – elke wereld een rij –
een zin ordent – sluit uit – laat toe –
de kleinste zin draagt alle andere –
wat past – wat niet past –
hoeveel werelden blijven er over?

Het lezen van dit laatste deel is ook daadwerkelijk als het beklimmen van een ladder. Je weet niet waar hij eindigt, maar op sommige plekken begint het je te duizelen. Je kunt eigenlijk niet meer terug en je weet ook niet of je nog verder durft, want je voelt je hersenen kraken. Onuitputtelijk en volhardend is Hirs in haar onderzoek en misschien is het goed om deze ladder niet sport voor sport te beklimmen, maar af en toe de ladder helemaal los te laten en weer terug te bladeren naar het begin waar meer lucht is om adem te halen. En als je voelt dat je niet meer kunt denken, is het bevrijdend om ergens halverwege deze oneindige zin weer te vragen naar het begin.

Dietske Geerlings

Rozalie Hirs – vragen naar het begin. Uitgeverij Querido, Amsterdam. 112 blz. € 22,99.